R. van de Struik: ‘Festina lente’ (2009+2013)
Festina lente (1 t/m 6) [2009]
- De Uil, De Zon en De Maan
- De Jonge Eik
- De Muis
- Het Grote Feest
- Het Gesponnen Lijntje (met To-To)
- De Oude Eik
Festina lente; To-To (7 t/m 10) [2013]
7a. Het Bos
7b. Het Bos
- De Droom
- Twijfel
10. Totaal van het pad (zonder…)
===
- De Uil, De Zon, en De Maan
De zon zei:
“Dit is zonneklaar!”
De kleine eikel lag er onhandig bij
door een vreemde vogel uitgekotst
dit alles guitig gade geslagen door een luie uil.
“Niets is helder als de zon, de zon
niets dan een felle flits in de lucht
– ’s nachts zijn er duizenden
zoals jij –
niets zo helder als het water
klaterend in beken, het bekken
al onttrekken de mensen het uit steen
wordt het gevangen in een ton
geleid door leidingen, gestort, gedumpt
in putten verzeild geraakt, het riool
gestopt zal het nooit worden.
Vroeger of later zal ook jij vergaan,”
beet de uil de zon toe
“maar het water zal blijven bestaan.”
De zon was al lager gaan staan.
“Zolang deze eikel er is, houd ik hoop
maar jij, draaikop, krijgt je gelijk.
Morgen ben ik echter terug in deze baan
en jij
pas maar op met die zwerver van een maan.
Weet je nog hoe hij vanachter de wolken sloop?
Met zijn woorden neemt hij alles in de zeik
alleen maar vragen stellen en weer gaan.”
De zon was nog niet uitgesproken
of de maan bleek er al te staan.
“Hebben jullie een gezellig theekransje?
De dames hebben al het ijs gebroken
maar waar komt die wrok toch vandaan?”
De jongen, uilskuikens
deden van schrik een dansje.
Voor de luie uil was het nu wel gedaan
het was de zon zelf die afdroop.
Die heeft aan de andere kant het rijk
voor zichzelf een nieuwe dag te gaan.
“Oehoe, zijn we op de teentjes getrapt?”
grapte de uil, oelewapper.
“Ik begrijp dat jij het nog niet snapt
nog geen hond in het donker zo dapper!”
Door een brede wolk vertolkt
als een onheilspellende gloed
die de nacht met angst bevolkt
ieder wezen vrezen doet.
“De wrede wolf huilt welig op mijn volle dagen
de vragende magen van de roedel treurig gestild.
Je zou het ze zelf eens moeten vragen
of zij het niet liever anders hadden gewild.”
De maan stond sterk.
“Allemaal goed en waar, maar let wel
zoals jij het schetst, kleeft dat feit aan jou.”
De uil dacht nu ouderwets snel
vliegensvlug terug op zijn lievelingsklauw
pakte hij de buitenkans terwijl
wolken zich verdrongen, en de dauw
de maan elk zicht ontnam
op dat waarvoor hij kwam.
De uil gaf de maan nog één tel
die reflecteerde nog net fel genoeg:
“Zie dat eikeltje daar liggen, vol potentie
nu is hij nog klein en rond op de grond
spoedig zal hij hier geworteld raken
zijn kop opsteken en groeien tot de essentie
zoals jouw soortgenoten allen ballen braken
ieder mens zich krabt aan zijn of haar kont
zo zal ook dit eikeltje groter worden
een ijverige boom vol afsplitsingen
hopelijk blijft hij vrij van mensenborden
nagels snijden diep tot in de jaarringen.”
“Wat jij als onomstotelijk waar ziet, maan
kan kloppen als een specht in een plataan
de echte waarheid heeft nog nooit bestaan.”
Vermoeid en verscholen achter de bomen nu
lacht de maan minzaam naar de wijze uil.
“Ik weet dat ik niks weet
maar geloven is mij te cru
zie mij als een vroedvrouw
ik zie het goede in vuil.”
===
- De Jonge Eik
Voor de eikel goed en wel begrijpen kon
waarover de uil sprak met de maan en de zon
bleken zij klaar met vechten en filosoferen.
“Zo zal ik nooit welsprekendheid leren
of schermen met woorden die ik dan zelf verzon
maar ik kan het natuurlijk ook anders proberen.”
De jonge eik luisterde naar allerhande
stemmen en geluiden
waaide met winden mee en leerde ze
remmen en gebruiken.
Door zijn eten uit de omgeving te halen
hoefde hij nergens voor te betalen.
Zo gingen de jaren voorbij
en kwamen vele verhalen langszij.
Zelfs de natuurwezens die de mens niet ziet
stonden in rijen van tallen voor hun relaas
want de eik sprak elke week met Rien.
Die was niet gek
alleen zijn fantasie niet de baas.
Zo leerde de eik elk vogellied fluiten
keek naar bokswedstrijden van de haas
zag hoe de eekhoorns leerden muiten
en merkte de mens op als grootste dwaas.
Het water klaterde door zijn aderen
de zon scheen dagelijks op zijn blad en bast.
Ieder jaar weer meer bladeren
te verliezen als de winterkoning
langs het pad zich wast.
De eik had echter geen hekel aan de winter
hij trok zich terug in zichzelf om te rusten.
Zo kon hij ieder nieuwe jaar weer fris van start
en zijn hart verliezen aan de schoonheid
van de lente.
===
- De Muis
“O, was iedere dag als de eerste lentemorgen
dan zou ik gouden stralen schenken aan jou.
O, had iedere dag de geur van verse bloemen
dan zou ik zilv’ren zoeken alleen voor jou.
O, zou iedere dag voor de eeuwigheid gelden
dan zou ik nog meer houden van mijn en jou..”
“Hmm, misschien moet ik dat laatste toch veranderen.”
mompelde de spitsvondige muis onbedoeld hard.
“Ik wil je wel helpen.”, zei de eik.
“Voor mijn part,”, reageerde de spitsmuis vondig
“schrijven anderen dit hele klote gedicht,
godverdomme.
Hiermee lijd ik alleen maar gezichtsverlies,
ze zien me al staan, tering-tyfus-kut
hierdoor krijg ik nooit die goedbetaalde baan.
En dat alleen om die stomme trut.
Dat lelijke wijf van mijn vriend, is mijn nicht!”
“Maar waarom schrijf jij dan dat gedicht?”
vroeg de eik terecht
(toch?).
“Het is in onze familietraditie verplicht dat een broer
of neef polshoogte neemt van het joch
waarvoor het betreffende meisje is gezwicht.
En dat is dus mijn beste maat,
Bolle de rog.” (vol in ’t licht)
De vondig gespitste muis keek alleszeggend naar de eik.
“Hij kan niet op land komen dus sta ik in de zeik
want zonder armen of benen prijs je de hemel niet rijk.”
===
- Het Grote Feest
Het grote feest zou onder de eik plaatsvinden.
Ja, hij alleen was geschikt bevonden.
Het was voornamelijk haar familie die het zinde
omdat familie rog en vrinden niets zien konden.
De bijna even grote beuk vond het niet leuk
hij was te donker bevonden, en zonder zonlicht
en de kale, dorre grond bezorgde teveel jeuk.
Beter was het zachte mos en het fijne vergezicht
op de lichte verhoging in het landschap
waar de eik was beland als klein ding.
Eerst had hij met de omgeving geen verwantschap
maar nu ging er een paar onder hem trouwen
een feest waar hij met liefde geen vergoeding voor ving.
Hij wilde liever de vrienden voor altijd behouden.
Ook de beuk, die toch altijd naast hem stond
had hij evengoed uitgenodigd om mee te feesten.
De eik vond het wel mooi zo vol en rond
het bladervuur waar de dieren beesten
tot diep in de nacht. Dat schitterend deken
van sterren en de maan die lachte
en alle uilen knapten al wiebelend
of stiekem giechelend in hun donsvachten.
De zon kwam weer op.
===
- Het Gesponnen Lijntje (met To-To)
Boven de zoemende insecten en vrije vliegers
vliegt het tuig voor witte slierten uit.
Over keihard rechte paden stuiven de bedriegers
onnoemelijk vies en met oorverdovend geluid.
Zelfs de meikever heeft moeite met de buit
boven het kabaal te stijgen en hun schijt te vinden.
“Er komt alleen maar rook en stank uit
ik houd meer van het paard
welk de mens voorheen beminde.”
De meikever (voorloper van de junikever
die op zijn beurt weer eerder was
dan Julius de kever, de grote overlever)
gaf geschiedenisles aan de torretjesklas.
“Mijn moeder zegt dat spin, de webwever
een lijntje heeft met familie over de plas.”
“Beste To-To-torretje, er is geen tijd voor gezever
over je moeder in deze overvolle klas.”
Terwijl hij de kleintjes hielp over de rug van de bever.
“Niet zo snel beste Mei, “, zei nu deze waterrat
“die kleine heeft wel een punt.” To-To keek blij.
“Hoe bedoel je dat?”, vroeg Mei zich af.
“Ik denk dat je dat beter aan hem vragen kunt.”
En de bever bracht de klas naar de brem
onderwijl vertelde To-To over die nieuwste stunt.
===
- De Oude Eik
“O, ego!”, verzuchtte de oude eik,
“Hoe ver van hier kan het verleden zijn
als de wild verlichte grond en jong blad
aan ranke vingers zo groen
zo helder nog voor ogen staat?
Nog ruik ik de wildgroei
van zachte bedden klaver en mos
het grote donkerbos veilig ver weg.
Broeiend in de hoge zon druppels
gevallen uit de hemel op mijn kruin
mijn schouders en jeugdige armen
stoeiend met de kracht van hun gewicht
om verder te vallen tot op de bodem zelf.”
Opgaan in de aarde
vergaan in het leven
geheel omgaan
in de som der delen.
“Ik blijf maar dromen.”
De woorden werden beantwoord
met een vraag, en stilte
volgende stilte.
Onderbewust
zijn zonder luwte.
Grepen van hout houden onbemind vast
evenals het uitgerekte hart van geliefden.
“En de letters in mijn bast gekerfd
ik draag hun verleden in mijn heden.
Ieder blad dat ik draag
iedere eikel werp ik af.
Elke zwakte in elk takje
pakt de wind.
Ik leg het ieder jaar af
behalve wat in mij werd gesneden,
zodat zij nooit zouden vergeten
draag ik het litteken.”
De vrouw komt soms, versleten nu, onder hem rusten
de man hebben ze nooit weer gezien.
Zij heeft zijn steken ook gedragen
tot die parasiet haar ook verliet.
Ze kon niet van haar kind houden
zoals het joch van haar, zijn haar
zijn ogen, bedriegelijk mooi.
(De vrouw die ze toen vertrouwde
was al verkocht aan haar, en haar
donkere jongen met haren als hooi.)
Zij lacht soms verbeten om die jonge lusten
hoe alles anders werd sindsdien
en altijd blijven zitten is met vragen
aan hem die haar toen verried.
“Ik had U willen troosten.”, zweeg de oude eik
terwijl de vrouw haar eigen weg weer ging,
alleen en bleek.
Zo bleef de boom staan
groots en donkerboos
onder elk kwartier van de maan
elke hoogte van de zon.
Tot ook hij bezweek.
===
7a. To-To (Het Bos 1)
Alsof het licht niet binnendringen wilde,
zo weinig was er te zien in het donkerste
midden van het meest uitgestrekte bos.
To-To bleef doorgaan, hem maakte niks
de tocht onmogelijk, geen plas of heuvel,
geen euvel dat hij niet te boven kwam.
Hij had alles nog op een rijtje, hij wist
het hele verhaal nog na te vertellen, én
de kleinste details sloeg hij nooit over.
Eén keer was hij bijna een clou vergeten
omdat hij blind over een pad wilde gaan
waarvan hij niet verwacht kon hebben
-wie voorziet alles?-
daar te verdwalen,
het kon niet bestaan. Dat doorleefde
welteverstaan, niet andermans verhalen.
Maar ook die kende hij, met alle nuances
van de verscheidenheid in het dierenrijk.
Iemand moest de eer hoog houden
nadat
de eik opgevreten werd door de larven,
progressieve blaters die het niet kunnen
nalaten alles wat leeft tot pulp te kauwen.
To-To was op zijn vlucht van de bosrand,
nog los van die immense familie muis&co,
op veel vreemdsoortige dieren (enzo)
gestuit
en geen waren er zo intens gemeen als zij
die in processie gaan
door kolonievorming
vooral hun eigenvolk-bestaan veilig stellen.
Alleen al het getal, het aantal mieren dat hij
op zijn grondige wegen tegen was gekomen,
was zo duizelingwekkend, zo onberekenbaar,
daar durfde dit torretje geen uitgesproken zin
meer aan te wijden
–de hoogvliegende raad,
uitstekend in staat tot dodelijk precisiewerk,
zij controleren-
To-To was zelf levende bijzaak,
dat was hem al tijdig bijgebracht door Mei,
de kever die de hoofdmeester was op school.
“Beter bescheiden oud en laf, dan arrogant
en jong in je graf.”, was één van de wijsheden,
één van de stelregels voor dit aardse leven.
Sommige dagen is er niets dan grond
om te eten,
op te slapen,
en weer verder te gaan naar het einde
van het pad dat ingeslagen is
en afgemaakt wordt.
===
7b. To-To (Het Bos 2)
Inmiddels was de ervaring van To-To die van Mei
overweldigend overstegen, en zou hij zelf terug
naar school moeten gaan om de lessen te geven;
na Mei had natuurlijk Juni, en daarna Julius,
de taak overgenomen, en misschien zelfs nog
August, die toch al niet altijd de snelste was.
Ach,
zou het geen verademing zijn, een slim torretje
voor de klas? To-To bemerkte dat hij droomde,
zo vloeibaar had hij nooit eerder gevlogen,
zo
zelfverzekerd was hij niet eerder geweest; nee,
dit mocht geen werkelijkheid worden; hij sliep.
[Op een pluisje licht, zo leek het, dwarrelde zij,
zij die onbenoemd zal blijven,
niet onbemind,
haar schoonheid is zelfs bij de mensen bekend.]
To-To begon te groeien en op te bloeien, maar
hij verloor ook twee poten, had er nog vier over,
en werd nog groter, en hij sliep nog altijd door.
Waar zou dit alles uiteindelijk toch eindigen?
===
- To-To (De Droom)
Van de zon, de maan of enige uilen was geen sprake meer;
de luchten verkleurden, los van welke vorm van tijd dan ook.
Het oorsuizende gezoem van alles was voor To-To onhoorbaar,
enerzijds omdat hij een torretje is, anderzijds omdat hij droomde,
ja! (hoe kan een insect dromen? of zelfs dromen van oren?);
hij sliep (in dit verhaal, anders klopt heel Festina lente niet;
dit moet fabelachtig zijn), hij droomde!
De sneeuw was nog niet gevallen of het grote bezinnen,
het reflecteren wat de maan zo goed kon, was begonnen.
(Iedere nieuwe generatie komt weer voor de eeuwige
vragen te staan alsof zij nooit eerder gesteld zijn, zo ook
het ongedierte. Dus!)
Ach, zou alles ook zo fladderig geweest zijn, alles wat
maar roze kon zijn, en dan dat blauw boven de toppen
met vaak flodderig wit, of grauwgrijs, de verheerlijkte
wolken, er wordt hier gevlogen om het eigenzinnigst.
Als hij nou toch eens in een mensenhuis terecht komen zou,
en landen in een bed, wachten op verzorging van een lieve zus.
En zo werd To-To wakker, diep verscholen.
Het voedsel lag op zijn rug.
To-To vroeg zich af waar de grens tussen het dromen en
de werkelijkheid lag. Daarop had nooit iemand antwoord
durven geven, behalve zij die van niks leken te weten.
Maar hij had het nooit aan De Eik gevraagd.
Noch de zon, noch de maan, noch die wankele uilen, waagden
zich een buil te vallen aan deze “veel te hoog gegrepen materie!”,
zoals ieder volhield. En standvastigheid bewijst innerlijke kracht,
zo had To-To het geleerd en zo zou het ook zijn.
===
- To-To (Twijfel)
En toch waren er twijfels, gevoed door de afstand;
het pad dat Hij gekropen had, kende vele openbaringen
omtrent de opgelegde waarheidsbevindingen
uit bevlogen tijden.
(Hoe diep liggen de wortels van het zijn? Ja!: waaraan
danken wij het leven? En ook: was er al leven vóór
de oerknal;
was er maar eentje?
Zou het niet veel logischer zijn als meerdere beginnen
te zijner tijd plaatsvonden? En nog altijd vinden. Zoals
er verschillende manieren van evolueren naast elkaar
bestaan, en wijzen waarop soorten ontstaan en vergaan.
En dit geheel gaat oneindig door, ook zonder het leven
op aarde, zonder aarde in het geheel.) Zonder traan:
te laat.
Maar Hij zou kruipen, kruipen voor zichzelf.
Hij moest door de stront van anderen banjeren
om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dat
zou ook Hij niemand toewensen, maar het zat
nu eenmaal in zijn aard. De aard van het beest.
En Hij zou leren, leren vallen, leren opstaan;
Hij moest als voorbeeld voor anderen dienen.
===
- Totaal van het pad (zonder…)
‘Wij verstikken onszelf door verkeerd aangeleerde
maniertjes. En als wij dit groepsgewijs doen, noemen
we het cultuur, en moet het beschermd worden voor
invloeden van buitenaf; vooruitschrijdend inzicht is
niet aan ons besteed, wij wentelen liever nog dieper
in de eeuwige stront van anderen en uiteindelijk ook
in dat van onszelf. Waarom zouden wij verder gaan?’
To-To generaliseerde zijn eigen beleving, niemand
kon ontsnappen aan wat Hij zeker meende te weten.
De verschillende lagen in het geluid van de bossen
leken als de enige relevante. Hoe kon iemand nog
spacen op wat vroeger het einde heten mocht?
Hij hopte van jongmens naar jongmens, bewegend
met hun weinige pootjes in het flikkerende licht,
de verwarrende trillingen in de lucht probeerde
Hij te negeren, maar Hij eindigde surfend op die
golven uit de ondoordringbare maaksels.
Muziek, Meester To-To!