M.R. Achterbergs door Max de Lussanet & R.E.N.S.; ‘Bezwete Taal der Ragzangers’
(jul 25-mrt 26)
- Bezwete Taal der Ragzangers
- Bezinningsbloemen
- Geknield bij Argos’ graf
- De beer is los
- Als een geslagen hyena
- Venster
- Attention Deficit
- Sorry is zo makkelijk (aug)
- Opkomen in de Avondlucht
- M. Achterbergs – STATUS QUO
- Spreuken die nooit zijn gehoord
- The Holy Trail
- Het Voortouw van El Camino
- J. Achterbergs – accusatie; eet slafelijk (bew. J.B.’s ‘Aanklacht’) (sep)
- Het eenheidspostulaat
- MOLENKOREN (tijdigheid van het weten) (okt)
- Ridders van duizend-en-één
- (M.R. Achterbergs) dixunt simultanus
- Soelaas; ‘Het Meer der Vergetelheid’ (dec)
- zo nu en dan voelen wij
- ontkleurde kamers (jan’26)
- V.A.N.D.A.A.G.
- In The Pocket (feb’26)
- DE JONGEN EN IK
- in ‘t luisterrijke luisterrijk (mrt’26)
- Maxim & Rens Achterbergs – The Eagle has Landed
- een korte serenade
- Er is een oneindige zee; EST MARE INFINITUM
- De dwerg; LEPRECHAUN
- Bezwete taal der ragzangers
De nacht die niet wacht,
maar hem liefdevol toelacht
als de hunkerende hand
van Odysseus’ dwalende geest
vrede vindt en plezier
in haar en haar vlezig lichaam.
Hij trekt een korset over dit leven
van vlees en bloed,
de gladgestreken vingers
van verwachte nachten
achter fluwelen tralies
zijn geen rustgevende
omstandige cliffhangers,
maar verlangens
naar de zweettaal van ragzangers.
Doordouwers van de tegenwind,
verblind door het maanlicht, schudden nee, wachten op geen
verzachtende omstandigheden;
nooit heeft hij meer of intenser geleden
dan toen zij op hem wachtte, verdween ze,
niet achter tralies,
maar werd ze dankzij hem bevrijd.
Zoals bloedheldere beken
een voorteken zijn
van treurige tentakels.
Zij vissen Achterbergse gesloten
poëzie hier, zonder klemmen;
en misschien is hij al vol van de kiem
die door zijn huid sijpelt en groeit
maar zijn stem kan toch niet
die van kanker zijn?
- Bezinningsbloemen
Het toeval stuit op zijn ongeduld;
als wat niet te verwachten viel,
rende hij met de paarden mee
in de roze en blauwe slierten
van een traumatiserend strevende zon.
‘De spinsels van het zó gewende;
een onverzoenlijk tegenstreven’,
waar het allemaal begon.
“Mijn zoon, zoek voor jezelf
een wereldzee van jouw formaat,
want deze beken zijn te kleingeestig
en gevuld met een overvloed aan
de meest exotische soorten
van (bio)diversiteitshaat.”
Met Bucephalus onder bedwang
zou hij zijn hang naar een grootse strijd
onder geen beding hoeven te bedwingen;
tot aan de slag bij Hydaspes streed hij,
gezeten op de brede rug van dat licht,
van die ongehinderde Hippowildernis.
Als een meest onbeduidend handwerk
van zuignappende synapses, bevreemden
deze zinsneden de afgetrapte rijlaarzen
door perken bezinningsbloemen stampend.
- Geknield bij Argos’ graf
‘O!,
soms voel ik mij verwant aan jou,
soms voel ik mij, zoals jij je vaak
alleen gevoeld moet hebben.
Zo ik,
al heb jij dat nimmer kunnen bevroeden.
Net zomin jij ooit de bedoeling begreep
of hebt geweten waar ik ben geweest,
welk ‘n hondenleven ik heb geleden,
van binnen; al die kwellingen
die mijn ziel ontelbare keren door-
sneden.’
‘O!,
al had ik ’t eeuwig leven,
nog in geen duizend jaar
zou ik tevreden mogen zijn!
Zij moesten
en zouden doen wat ik bedacht,
plannen uitvoeren die ik beraamde,
al hetgeen mijn geest vermocht
aan leugens, dwaling en bedrog:
dat deed ik zelf, mijn trouwste.
En geen die er naar taalde,
geen haan durfde nog te kraaien
in mijn nabijheid,
mijn diepste wezen
zou nooit bij iemand indalen.
De hulp moest komen van Athena,
maar zij liet mij in ‘n diepe waan;
’n slaap,
ver van mijn waarheid vandaan.
Ik weet,
en wist, dat ik het zelf doen moest,
het kwam er toen wel op aan;
velen keken naar mij , en om,
naar de wijsheid in mijn pacht.
Eenieder bleek als weke was
in mijn handen,
die beslisten over dood en leven;
ik hield hun lot tussen mijn tanden.
O!, Argos,
maar ik kon aan niemand toegeven
dat zij
hun macht aan mij hadden gegeven.
Doch jouw onfeilbaar tijdloze neus,
de waak voortdurend dienend,
geen sjoege van ‘n vrije keus;
die verreikende loyaliteit,
ondanks verwaarlozende vrijers
in mijn geteisterd paleis;
die tijd,
donker en licht zonder te weten,
vergleed
tot je mij, in vodden gestoken,
door de stank van ’n clochard heen
geroken,
terugvond.
Gebroken. Dat was
dat moment, mijn trouwe ouwe Argos,
dat jij jouw hondenleven verlaten kon.’
- De beer is los
De opperhuid van moeder aarde
ligt onontgonnen, puur natuur
op maagdelijk terrein;
zij houdt zich staande, braakliggend
bedekt met een schaamlap voor wonden
in ‘t besloten woud der verwachting.
De nachtelijke zonden woekeren voort
in tempeesten, de wildste beesten
en de vogelen ‘des velds’,
wier zang streelzacht fluwelige columna’s doet ontwaken,
zuilen der tempelmaagden tot leven wekt
in de drukte der mannenwereld. Steunend
tegen een brede zuil van spetterend ongenoegen.
Minzaam komt haar Indisch ogende poetry
in beweging van zachte en lichte zeden;
in een zeegroen jurkje boven dansende
Griekse minnaressen; en minaretten
completeren het mysterie.
D’oude wonde gehuld in raadselen:
nimmer de ware proporties van haar huid
tonend.
Langszij mij schreed zij,
in haar hoge hakken gleed zij,
schudde haar lokken toen zij mij
op streelafstand passeerde.
Een grondige blik, één lichte touché.
Klik klak, klik klak, naar
de roofzuchtige zuster, mislukte jacht;
tig duizend mannenogen per jaar,
gericht op haar.
Tot de verbazing, te paard gekomen,
in haar ogen, en een lichte gloed,
of doffe glans,
geen hitsig blikverlangend willen;
een uitkomst
die niemand bevredigt (of had verwacht).
- Als een geslagen hyena
Gelijk de circe-ogende co-assistente
die stiekem van achteren mijn slip in kwam,
een gouden greep deed in het muilezelpaar –
een volledig nutt’loos gebaar -, constaterende
dat zich daar tussen de welvormige dadels
geen vunzige woekering voordeed,
doch slechts een verlangen –
niet warm,
maar heet
voel ik haar zwijgen
als een gebaar.
Instemmend zweeg ik:
geen bezwaar.
Kijk toch,
wat onze jongen er nu weer uit heeft
gegooid;
zijn dis met Adriaan
loopt volledig de klauwen
der rioolratgaten uit.
De hand,
als een geslagen hyena,
keert de talenknobbelzwaan
zijn rechtervleugel toe,
naar het gebazel en gepeupel
van het kut- en klootjesvolk
de nuttelozen van de nacht.
- Venster
Toen ging het venster open,
wanneer röntgenstralen
ons hier en nu doorlichten
door te reflecteren
op wat ons wezen was.
Ging toen het venster open
door het licht in de ogen
die ons verleden in
spiegelschrift bedrogen,
ging toen het venster open?
Er werd gezegd, en
er staat geschreven,
word wie je bent
in je diepste wezen,
ken jezelve, keer terug
naar wie je was.
Het venster staat open;
daar in de hoven
ligt onuitgenodigd
het pad tussen omleiding
en overstekend wild .
Door de poort klinkt een stem
in ’t gezang van de geesten
die als halfwilde beesten
hun opwachting maken
op jouw eigen queeste.
Het venster stond open:
je bent nu op weg;
je twijfelt maar weet,
hoe onduidbaar het lot
dat je boven ’t hoofd hangt,
daar kan geen demon
van wat was tegenop.
Midway is immers
point of no return.
- Attention Deficit
Het schreeuwen om aandacht kent geen tekort
zolang de bron niet uitgeput is, het levensvatbaar oerboek
van de mens
waar waarheden goden zijn,
orakels slechts woorden
die geen ander gevoel kennen
dan eerzucht en wraak
en die eeuwige macht;
alleen een wang die keert
een vrouw die je voelt,
met haar hand die de
aandacht versterkt, niet verzacht.
- Sorry is zo makkelijk
We zien het afgetrokken
in de schaars omhulde Olympus
in het licht van de ochtendzon;
in het glimmen van de munt
in de diepte van de vaargeul.
We ervaren de strijd, de exercitie
tegen de afmattende Helikon,
onder de zon van contrapunctie
en ’t eeuwig gekletter
van leeuweriken,
de zondvloed uit gouden kelen;
als Eva,
kronkelend over tafel,
de onversneden avocado
met pit, g-spot en al
in de varkensbek van Adam splijt.
- Opkomen in de Avondlucht
Schreeuw niet tegen mij
dat je verzuipt in drank
die dank je aan jezelf; je mond
loopt over, van jij…en wij?
Wat jij bedoelde, voelde ik
met onschuldige, blauwe ogen.
Er is geen reden om te lachen,
of het moet de wreedheid van jouw gedachten zijn.
Wat is de waarheid waard,
als jij het vergeten bent
en bang bent voor jouw verleden?
Was er een reden voor die
eerste kus?
De overweldigende beroering,
en die verzwegen berusting
waar geen mens van mag weten;
de wereld die jij niet deelt,
het leven door laat gaan
dat boort en boort, door en door..
Voel het opkomen in de avondlucht,
dat verlangen,
waar je op wachten kunt – levenslang.
- M. Achterbergs – STATUS QUO
“Hoe sta ik ermee voor, dok, leeft u nog?”
“Kom bij u, heb geduld, de interpunctie
van ’t radiologisch pathogeen proces
der lymfocyten in een biopt fles
was tijdelijk out-of-order in hun functie
maar xal u antwoorden, xoekt voor u op…”
Intussen groeit, nog tijdens ’t belconsult
aldoor mijn quaal met groeiend ongeduld
maar ook doks bloeddruk die zijn schedel vult
waarop een joekel van een talenbult.
“Your wish is my command, dat weet u toch?
u vraagt, wij draaien altijd op verzoek
quil u graag asap van uw quaal bevrijden
doch teeft meer voeten dan ‘k dacht in de aarde
quagt voor de uitslag op groen licht uit Leiden
en Amsterdam – wat mij meer onrust baarde
dat zet quaad bloed bij mij en mijn confraters
die pathologen altijd met hun queesten
naar quaad of goed in microscopenbeesten…”
M. Achterbergs
(who mistook a date for his wife)
- Spreuken die nooit zijn gehoord
.I.
Met zijn verzen werd geen hoop gewekt,
met huichelende wegen wel dromen verlegd;
de tovenaar die waarheid sprak
in spreuken die nooit zijn gehoord.
.II.
In wrevel van de wereld afgewend,
de ogen die niemand ooit zag;
nieuw licht dat zweeft in de dageraad,
gloeiend door het licht van de verre zon,
.III.
weerkaatsingen van wat ooit speelde
glanzen als dauw op de koude aarde.
Dichter, uit zijn vers geen hoop gewekt,
wever van woorden die ongehoord zijn.
- The Holy Trail
Een burcht,
afgesloten van de wereld
of een tuin met open poorten,
en heel in de verte
een ophaalbrug naar ons luchtkasteel.
In onze harnassen van dons
plonzen en plonsen we wat af
in de levensgrachten
naar het einde.
Het slot sluiten wij
in onze opengebroken harten,
overlopend in gekantelde oeverloosheid
met aan geen van beide zijden
torens als dartelende wachters.
Want wij vertoeven enkel samen
tussen onze eigengereide kantelen,
in dier voege
dat snoeven over gebrandmerkte ramen
op rekening komt
van barbaren.
- Het Voortouw van El Camino
De zwaarste zwaarden
laten zij
over doek en leegte vallen:
het scherpst is dat van Salomo,
van het Recht snijden, zo
werd gezegd; doch
allerbotst is dat der dood,
Damocles’ Fatumlemmet-
stoot.
In de tussen-time belagen
drenzende dreumesen
de magen der brodelozen
in hun uur van Nood
voortdurend smachtend,
in een niet te stillen honger naar
meer-meer-meer
en verder dan non plus ultra
..‘hetgeen hun DNA dicteert!’
‘O Mens, no lens vol ends,
als volleerd omgekeerde
letterengeleerden,
blazen
wij onze eigen aftocht
wel,
denderend door de koppie-peest-kets-world
kiezen wij de weg vooruit,
‘doe wel en zie niet om’
el Camino na ons’.
Waar waren wij
in deze nachtelijke ronde,
buitenechtelijke stonde,
ook weer gebleven?
“Ah ja, das war einmal.”
Het ondermaanse
zonder eclips.
Daar immers schuilt d’Origo
der dingen die de dichters vingen,
eigen makelijspinsels
van de donk’re Kant der maan:
als een creatio ex nihilo.
Skydivend waaiend uit alle hoeken der ijle bergen;
“double blind, double blind”,
vol etherzonden.
Maar in de zwischenzeit lachend op de bike met handjes los..
Wij, Massimo
en zijn dodoënde Laurentius (en consorten), zullen
uit dichtersporiën
het bronserend hart
naar believen stoten,
als een zwaard binnenwaarts waar wij het allerachterste van onze tongen laten ademen
en balanceren
in opgezogen verhalen der vergetelheden.
- J. Achterbergs – accusatie; eet slafelijk
zonder status zwerven moderne slaven
in lompen gekleed door Europese straten
in achterafstegen vallen ze
op massamatrassen dood of dodelijk
vermoeid te pletter
ene P. uit Afrika
dompelt
met blote handen
eindeloos bakkies met plantenstekkies
in geïnsecticideerd water
waarmee
direct fysiek contact
extreem schadelijk is
maar daar heeft P. geen boodschap aan
elf uur per dag
al tweeëntwintig dagen
zíjn blote handen
onafgebroken
in zijn eigen einde geplant
als P. mazzel heeft
krijgt hij op een dag
drie euro per uur
voor deze pure slavernij
om omzichtige omstandigheden
komt soms een controleurtje voorbij
waarvan ‘de boer’ via een achterdeurtje
(om het woord douceurtje te vermijden)
tijdig op de hoogte was gebracht
en al wat enigszins verdacht
(lees: zwart) is
als iets
dat hier niet hoort
ieder storend element
zeg maar
keurig
tijdelijk verwijderd wordt
of voorgoed
omdat het bloed uit de diarreet spuit
door ondervoeding en/of vergiftiging
ach
het was maar een economische vluchteling
(daar zijn immers meer dan genoeg van)
voor de heerlijkste tomaatjes
paprikaatjes, au-augurkjes
kom-maar-kommers en blaadjes
sla(af)
gezonde hapjes in de handjes
van onze
gezonde kindertjes
en andere eigenheilige boontjes
in onze
verslavende patroontjes
eet slafelijk!
(uit naam der onbekende gelukzoekertjes)
Door R.
- Het eenheidspostulaat
Om jou zinnen over leven
mee te kunnen geven,
zijn het intrinsieke grenzen aan
de betekenis die ik er intertekstueel in leg;
tijd en aandacht zijn
niet meer dan
posters over scheuren
in het ethisch behang
van fervente dromers,
onveranderlijk verlangend
naar een brandend activisme.
Dan moet het toch over hoop gaan,
of zand in geluksmotoren
die de wil draaiende houden,
tegendraads en stroomopwaarts
over nitwittende opperklojo’s heen.
Tussen windbuilen door
schijnt de felle nazomerzon,
exemplarisch hilarisch klaarkomend,
achter nooit nalatende wolken
die de verwondering vertalen
als ik verhalen wil gaan proberen
te vereren van oude schrijvers,
als blijvers door de eeuwen heen,
vóórdat het gejank en geblèr
losbarst in volkse volières.
Je hebt zangvogels en hanen
die zeer uiteenlopen in talen,
intuïtie en ervaring,
als het aankomt op verleiding
van de scheiding der machten
in onze nieuwetijdse verwachting.
- MOLENKOREN (tijdigheid van het weten)
Dit zwaartepunt van het denken
waar woorden geboren worden,
als klanken strotten verlaten,
zin en betekenis vormen,
samen stromen gaan,
uitmonden
in gedeelde beelden,
overeenkomen,
uitdrukken,
willen.
De tijd als duur
houdt meer dan eens stil
op het Kairosmoment
dat je pas later,
of op z’n best
het navolgend
op magische wijze
als cruciaal herkent.
Dit vliegwiel van het voelen
wat dromen vertalen kan,
overtreft zichzelf
door verwachtingen
tenminste
te benoemen;
het wedijvert, strijdt
met Chronos, de tijd
die elke afwijking
van regelmaat,
elke ‘alleingang’,
veroordeelt, doch
stiekem intussen
benijdt.
De mijmer verstijft:
de regen blijft,
zolang het duurt,
in vlagen dalen
van onzekere wind
in onstuimige vaart
die onrust baart;
achter dat onheil
der wichelaarsgoden,
de lachende derden
zonder mensengeboden,
verblijven in vaste beelden
de sterren,
zoals de tijdigheid
van het weten
beklijft.
- Ridders van duizend-en-één
Duizend-en-één
moeten het zijn geweest
op het feest van de satan
hun duizelingwekkende
duivelgedachten
laten geen ruimte
voor twijfels
en afleiding
voor bijzaak
en beuzelarij
Voordien waren dromen
in nachten gewijd
aan epische helden
verhalen gedichten
’t is de dwang die hen leidt
tot noodzakelijkheid
hun vroegste stemmen gedempt nog
nu aanzwellend de woorden
tot unisono akkoorden
hun haar en gezicht
half bedekt met bandana
herhaaldelijk klinkende
recitatieven
vol vastberaden vuur
hun onderling samenzweren
geen pardon
geen genade
geen kuur
Duizend-en-één listige woorden
gedrenkt in grootspraak en waan
van nimmer verzachtende
bloedwraakgedachten
die geen vijand zag aankomen
en nooit verwachtte
nimmer aarzelend dralend
en wanhopend aan
hun arcanum, hun code
de krijsende victoriehaan
- (M.R. Achterbergs) dixunt simultanus
Wie van die godvergeten zonen heeft,
badend op ‘t zonovergoten godenstrand,
de bliksem door Carus’ hoofd geschoten?
Waarom niks uit de hemel neerdaalde!
Een vergeten verhaal dat de ronde deed,
door de fluisterkring, – de herinnering
van de donkere schim van een kiel
van een schip, grauwgroen water
waarin hij in dit leven ontwaakte
Waarom? Ach, waarom
zal voor altijd een vraag zijn
waar enkel intuïtieve actievelingen,
begiftigd met het woord,
het antwoord op kunnen geven,
om te voorzien in de leegte
– die van het niet-weten.
Welke kleuren de onbestemde toekomst
weerspiegelden onder het verkoolde bewind,
wat de hindernissen zouden zijn;
over die wroeters,
daarover schreven de historici,
die somtijds de mijlenvretende lansdragers hebben gevolgd,
tot in de verste uithoeken van het rijk,
waar strategen en konkelefoezelaars de toekomst van hun onderdanen
beslisten en betwistten,
dit alles opgetekend in de Annalen, Historiën en Verhalen
van de limes in Germania en de Muur van Hadrianus
in the midlands van Brittannica.
‘Nolens volens’, wetende, welwillende broeders,
als Klassieker tussen het weifelende Westen,
waar de laatste keizer zich als Romulus
op een kwade dag gewonnen gaf
aan de woeste Noordelingen,
de Galliërs met hun blonde lokken.
En het onverwijld vurig Oostelijk Rijk,
dat het godvergeten godvruchtig Westen ten lange leste moest overgeven
aan de Ottomanen, eeuwenlang de onbetwiste
mohammedaanse patriarchen der kalifaten,
van Byzantium c.q. Constantinopel,
de brug, het kruispunt,
tussen halve maan en te vuur en zwaard,
waar in de verte, niet ver daarvandaan
Homeriaanse Trojaanse helden de strijd aanbinden
met good old Europe, the ancient Greeks from Hellas,
onze voorvaderen, die ons voorbeeld werden,
wij, poor old devils, de Romeinen.
Zo schoven wij de geschiedenis van Remus en Romulus
Bruusk, met één pennenstreek,
in een venijnige bijzin,
terzijde ter wille van de prozaïsche reisafstand.
Waarom de goden überhaupt nog moeite deden;
zoals Trojaanse paarden ooit, lang geleden,
vijandige steden binnengleden. Zo nemen zij,
zij aan zij, verdelende heersers, beiden Keizer
– daarom, daarom alleen! –
het ijzer tussen de knarsende tanden,
beter en heter gesmeed
om noodzakelijk leed te verzachten,
te verschroeien.
Zo deed men dat, zo was de macht,
zo doen wij nog altijd sedertdien
en nog immerdoor. Misschien
zonder moeite, – de zonde boeit ze niet -,
de grond onder de schandaalsandalen dragende goudpatsers,
criticasters van dit samengestelde poëtische Gezindte.
DIXUNT DIOCLETIANUS
ET MAXIMIANUS SIMULTANUS
- Soelaas; ‘Het Meer der Vergetelheid’
[terwijl het kunstzinnig ontworpen
slim verrijdbaar paneel
van het toneeldecor
vervangen wordt door
fluweel]
[Rindr]
“Jij in mijn droom,
o Morpheus;
jij stond in vol ornaat,
pontificaal voor mij!
Je keek me aan, bewoog je
linkerarm naar mij,
zei iets wijs.
Je droeg een okerkleurig pak,
klein van stuk,
duidelijk een mixgezicht
van elke herinnering;
met haar!
Maar waarom,
de context, het hoe?
Ik ben geen ervaren dromer.
Als ik mij al
iets herinner,
zijn het flarden, losse flodders;
geklieder met klodders verf wellicht,
zou soelaas kunnen bieden,
nieuw licht kunnen werpen.”
[Morpheus]
“Die okerkleurige lap,
gecombineerd met geribbelde
bruine wollen mutsen,
met strakke olijfgroene broeken
onder witte vesten:
zij als lokvogels,
verdiept in hun pantomime van
poëzie in beweging,
buiten.”
[Rindr]
“Vraag mij niet naar de toedracht,
de inhoud en het plot;
naar het waarom, in welke context,
vraag mij niet naar het hoe.”
[Morpheus]
“Heb ik wijze woorden gesproken?
Niet dat ik weet.
Ik sprak over ‘mijn broeder Li’,
een tragimythisch figuur,
ik had meelij met hem,
maar het hoe en waarom?
Ik weet het niet meer.
Duizend keer
moest ik in de verte staren,
met mijn linkerarm naar de hemel wijzen,
terwijl ik probeerde
de aandacht van eenieder te vestigen
op de vlucht van de kraanvogels,
mijn geliefde kraanvogels.
Dat herinner ik me nog.
Maar de rest is weggezonken
in de diepten van
het meer der vergetelheid.”
- zo nu en dan voelen wij
zo nu en dan voelen wij
dat ons de geest is gegeven
dat de beesten
die wij in wezen zijn
liever hun daden lezen
in verdichting
dan de vreselijke bloedspetters
uitgelicht in ochtendbladen
‘all over the place’
te moeten vrezen
zie ons dan maar
als gekke paarden
‘young’ en adellijk
welteverstaan
door muzen gedreven
als ware Pegasussen
voor ons part gerust
als
zevenmijlslaarzen-dragende dwergpony’s
met gladgestreken tronies
om de kolonies
aan alle kusten
in rijen van
tweeënzeventig klagers lang
een hels aantal
in al hun behoeftes te voorzien
of in ieder geval
alle verlangens te blussen
- ontkleurde kamers
ondertussen alsnog
bestierde ontsiering
Yeşilgöz’ hocus pocus
de diepgevroren focus
op de kerndelingen
op gewekte burelen
liggen ontgroende
blaadjes te rotten
onder een vers
laagje voor laag
net netjes gestapelde
gebroken sneeuwwit
als rechtsgedraaide melk-
fase richting de toekomst
der ontkleurde kamers
wit voor onze ogen maar
zwart in de oneindigheid
van ongepleisterde muren
waar wij naar blijven staren
in die onbestaanbare verten
begrensd naar maatstaven
van verzwegen angsten
ongepaste onwetendheid
en gedulde yuppenlogica
in een vertrutte poging
tot dieper zakken
door de onzekerste bodem
van voorzeker brekend ijs
- V.A.N.D.A.A.G.
vandaag krijgen we de rekening
op een ontgroenend blaadje
als vers gepresenteerd
menu voor de toekomst
welke nog immer ongewis is
in het schaamteloos wit
van haar ogen
haar strakke kaken
en lijnen gehuld in olijf-
groene bestaansonzekerheid
van die dingen
ja
van die dingen
hocuspocus die heren in het zwart
bont en blij blauw
gedogen tot en met
de regionen der onwetendheid
waar
in onbestaanbare verten
ins blaue hinein
angst en onzekerheid heersen
eerst en vooral
defensieve kaders klaar-
gestoomd dienen
vóór de tijd van de strijd
van die dingen
ja
van die dingen
tegen
zoönotisch infectiegevaar
gevleermuisd en al of
kortwiekende droneplagen
coronablaren als gelekt gas
als toeslagentranendalen
de piketpalen in ademnood
zorgen om de zorgen
ontzorgen door om-zorgen
voor óver onze morgen
nu borgen en doordouwen
de prijs op alle schouders
bouwen
van die dingen
ja
van die dingen
- In The Pocket
geestelijk zweven
boven wolkenloos water
de patroonheiligen
en hun puntige mijters
met bevende
biddende handen
gesponnen fabels
en welgevormde zielen
doof lezend
in tijdloze inkt
achter dichtgemetselde ramen
en krijtwitte muren
verloren in
de straling van
voor eeuwig
durende tijden
- DE JONGEN EN IK
Ik zal de muren geen kleur meer geven
de zinnen hun betekenis ontnemen,
die gedachte bekroop mij
op zekere dag
toen ik besloot te gaan vissen
Roerend tussen lelies en kroos
verscheen er een vijver
door mijn hand ontsloten;
uit die diepte rees licht op,
als in het spiegelbeeld
van een donkerduistere grot
Ik zag in een zuivere tuin
een jongeling staan
onbevangen en zorgeloos
zonder haast of schaamte
schreef hij markante woorden
die mij toebehoorden
alwat ik ooit te boek zou stellen,
als ware mijn leven een droom
Toen ik het begreep en knikte,
bewoog hij het water,
waarna het geschrevene verdween.
(“Scripta non manet!”)
- in ‘t luisterrijke luisterrijk
Luister
in ‘t luisterrijke luisterrijk
waar alles klein begonnen is
mettertijd verschijnt
in grotemensen-haaientaal
waar geen bekommernis
om zijnsvergeving
of voor een verfijnde zonde is
daar ruist tussen schakel- en hoofdfases
poëzie over tal van personages
gestroomlijnd in of door
verhalende moeilijkheid
betoverende rariteiten
als studentikoze hoogspanning
vol onttakeling of
verwilderende plantengroei
en eventueel
andere uitgestorven dingen
door voltooid verleden
herinneringen.
Je kan het ook zingen noemen
dit dichten
van de gapende diepte
dit gat tussen ons.
Over dat bredere kader slaken wij
getergd in ’t luisterrijk
antibinaire gedachten door
een atelierschrijver bijvoorbeeld
die misschien wel zwaar te lijden heeft
van de complexiteit
en zijn onbevredigend bestaan
in de hoedanigheid
van een humane levende
te zien
met name waar de bovenmeesters
scheidslijnen van waanideeën
tot niets weten te reduceren
in statistieken der twijfeltaligheid
der meerderheden
omtrent geforceerd idioom
als kolonistentaal geprocesseerd
volgens de achterhaalde methode.
De aanvankelijke stortvloed
aan complimenten die
‘t luisterrijk ten deel viel
als gevolg van
richtingverlenende
god’lijke voorstellingen
mythische gewaarwordingen
verlangens naar
onderwereldse rijkdom
echter voorbij die
gladstrijkende maniertjes
en cultuurontkennende nitwits
in ’t ontheiligde luisterrijk
blijven de woordbuigers verschijnen
de alles- en iedereenvreters
die het immers beter weten.
- Maxim & Rens Achterbergs – The Eagle has Landed
Een jaar geleden hebben
een paar pioniers
erudiet en goed
van de tongriem gesneden
een Sturm & Drang periode gekend
de site bombarderend
met heliofore, hemelbestormende
door muzen geïnspireerde Helikonpoëmen
Onvermoeibaar het luchtruim verkennend
met namen strooiend
van eeuwen geleden
eloquente voortrekkers
erudiete gangmakers
arenden, kreten slakende
stille echo’s tegen hoge
onbereikbare kammen
albatrossen, vleugels vierend
boven witte krijtrotsen
waar een zinkend schip
stranden kan
nemen afscheid van jou
in een verschraald landschap
jij dichter, gevorderd of nog
in de kinderschoenen
Wees niet bang, huiver niet
– ook een dichter(es) bijt niet –
om op elkaars eitjes slash kindekes te reageren,
complimenten, constructieve kritiek
maar altijd met hout snijdende argumenten
Het kan, nogmaals, geen kwaad
om jouw echo’s te etaleren
- een korte serenade
Plotseling hoorde ik hem zingen
even na zevenen
mijn dierbare merel
na jaren van ondenkbare stilte
teruggekeerd op zijn oude nest.
Ik pakte mijn telefoon
zette de recorder aan
hield hem gespannen en stil
buiten het raam.
Vast en zeker een teken uit het niets
een korte serenade
‘eine kleine Nachtmusik’
—speciaal voor mij?
met melodieën als zinnen
en stilte tussen strofen
dit ongelooflijke
ritmische timbre
in poëtische klanken
als uitgedachte partituur.
Verdicht dat vuur
dacht ik
van zijn vereeuwigde stem.
Even later vloog hij
op twee meter hoogte
in een vloeiende vlucht voorbij.
Een welluidender begin
van de prima vera
kan er voor mij niet zijn.
- Er is een oneindige zee; EST MARE INFINITUM
Er is een oneindige zee Est mare infinitum
die we met ons meedragen quod nobiscum portamus
van gedachten en herinneringen cogitationum et memoriarum
die geordend blijven quae ordinatae manent
totdat we ze ons herinneren. donec eas meminerimus.
De kleinste dingen verdwijnen Minimae res evanescunt
in moeilijke tijden temporibus difficilibus
maar de natuur blijft sed natura manet
een uitverkoren kern nucleus electus
die zich vastklampt aan het heden. qui praesenti adhaeret.
De mooiste overwinningen Pulcherrimae victoriae
en de kleinste en droevigste et minimae ac tristissimae
kleuren ons leven. vitas nostras colorant.
We beschouwen alles Omnia tamquam
als een elegante bloem, florem elegantem aestimamus,
en daarom waren we het gelukkigst et ideo felicissimi eramus
in ons paradijs. in paradiso nostro.
- De dwerg; LEPRECHAUN
Van het meerlagig verhaal
vol conflicten
ontging mij de paradox
destijds helemaal
zonder tegenspraak
belandden haar
elegantie en gratie
in het gevang
maar bleven
hoe dan ook
zonder kwade bedoeling
ondanks de tegenslag
Ik verkeer in duisternis
van de waarheid
en mijn geest wordt
heen en weer geslingerd
Was het een buitenaardse dwerg
een mens, een god, of de natuur
die allengs mijn verjaardag
naderde?
Een trilling kondigt het verleden aan,
dichterbij dan het ooit was
zij was als de lindenboom
die ooit over velden
naar de tempels zwierf
Was zij de weg kwijt,
verdwaald tussen godinnen?
==================================================
Fabulae multiplicis
ac contentione plenae
olim contradictio
me omnino fefellit
Gratia ac elegantia
autem in carcere
sine contradictione
nec ad mala intentae
cuicuimodi
rebus adversis
Veritate in tenebris versor
quidam movens rhythmo
Num nanus erat alienus
aut homo deus sive natura
diem natalem meum
appropinquans?
Praeterita propius
quam umquam
quae nuntiat vibratio
ubi ad templa
per campos olim
vagabatur tilia
Num inter deas
errata?