Alghar Min-Al’adghal door R. van de Struik; ‘in extremis (zweef even voort)’
(nov 25-mrt 26)
Alghar Min-Al’adghal: ‘laurier uit/van de struik’
- regen in november (nov25)
- denken en zien
- naamloze ruimte
- Bach op repeat
- ik weet
- ook toen dacht ik al
- voorheen wemelde het
- vreemdelanders
- in extremis (zweef even voort)
- help ons stranden (dec25)
- op zoek naar een glimp
- ‘vers uit de struik’
- waar ik vandaan kom
- ik ben gemaakt (jan26)
- De gang door mijn verleden
- ‘t waren vaak hun stemmen
- Afgesloten van de wereld
- Alsof míj… (feb26)
- Als, dan; en andere nonsens
- In de stilte van deze ochtend (mrt26)
- als je eenmaal weet
- vol vergeten tranen
- regen in november
vanaf de kokosmat kijk ik
door patronen in groen voordeurglas
naar de bruine wereld buiten
nog geen benul van het fluiten
veroorzaakt door de wind
door de kieren en niet-sluitende kozijnen
deze keelschrapende taal verwaait
in de striemende vlagen
van beklagenswaardige betekenisloosheid
totdat de kapstok in de pluggen hangt
de angst voor zware regenjassen
tot ieders verrassing als sneeuw verdwijnt
zonder de zon
in de verste verte te zien
omdat men het niet verdiend
- denken en zien
ik kan alles de hele dag denken
ik denk alles de hele dag door
door de dag denk ik alles
alles kan
denk ik door de dag
hij kan alles de hele dag zien
hij ziet alles de hele dag door
door de dag ziet hij alles
alles kan
ziet hij door de dag
wij kunnen alles de hele dag
denken en zien
wij denken en zien alles
de hele dag door
door de dag denken
en zien wij alles
alles kan
denken en zien wij
door de dag
- naamloze ruimte
vanuit deze onwelluidende positie
weggedoken in tweedehands frictie
achter categorisch gesloten gordijnen
reikt zijn hand door verleden tijden
een wondloos gezicht dat verschijnt
in kwatrijnen te dromen uitwijding
een doorschijnende mantel en liefde
als vergeefs versluierd woordenleed
het draait niet om verschoonde voeten
het loon dat na het werken opdoemt
vooruitgesnelde roem als doornenstruik
waaruit de rover met bloemen opduikt
de geschiedenis als ongeschreven blad
dwarrelend op de wisselende richting
van de lichting die de tijd voortbrengt
tot een lauwering op de koude grond
- Bach op repeat
met mijn eigen playlist van Bach op repeat
de gordijnen dicht zodat niemand mij ziet
al hoor ik de auto’s op de natte straat toch
nog immer word ik meegezogen in de tijd
van verdwijnen in mist der verloren strijd
als de verdorven nimf die ik niet wilde zijn
pijn klimt langs zijn onnavolgbare ladders
met vrije vallen en ongelimiteerde adders
onder het bloemrijke gras waarin ik eindig
venijnig de kilte van het huis vol verleden
de stille grond waarop teveel werd geleden
door beek en dalen schreeuwen en bestaan
instaan voor de vele geprojecteerde gezichten
op het doorschijnende masker van de dichter
waar nieuw licht van iedere dag vrij spel heeft
- ik weet
ik weet
dat jij weet
dat ik weet
wat jij weet
wat zij niet
weten kan
anders dan
van jou als
het vals is
dat jij niet
zegt dat ik
weet dat jij
weet dat ik
weet wat jij
weet van mij
dat zij niet
weet wat ik
alleen weet
- ook toen dacht ik al
ook toen dacht ik al
felle kleuren veranderen zo snel
dat zelfs de hel van Jheronimus
deze klus niet zo rap klaren zou
de lucht onwaarachtig zwaar
achterlatend in donkerder blauw
dan waar die heldere ogen van jou
slechts verbouwereerd reageren
konden
ook toen stond ik al
onderhevig aan stevige uitval
vreemde wezens in jouw bosch
los te weken van de realiteit
die jij lang beleden hebt
echter geleidelijk de ijdele stroop
van benijdenswaardige hoop
op vrolijkmakende vreugde
kwijtraakte
toen blaakte ik wel
- voorheen wemelde het
voorheen wemelde het
buiten van anderen
naar binnen in mij
waar alles en iedereen
zich vrij nestelde
op vertakkingen van
míjn corpus callosum
intussen dus
hang ik hier afgedankt
zonder lumpsumvergoeding
voor iets noch iemand
aan de rand van het ravijn
een diepere bedoeling
zoekend voor dit zijn
de doorwoekerende tijd
in onbepaaldheid gevangen
boeken die niks blijken te wegen
als je ze slechts gelezen hebt
voor de dood valt
niks te vrezen
no quick fix zal je saven
straks dan
de grande foulard
van de gekke neef/nicht
de bastaardwolf met krullen
die altijd klaarstaat
om mij op te vangen
als ik sneller val dan het licht
- vreemdelanders
Lange tijd heb ik gedacht dat
dichters mensen met gevoel
zouden zijn, zoals ik: altijd oog
voor de noden van een ander;
in staat ieder perspectief in te
nemen, zien door alle brillen
van verschillende levensfases;
niet schrikken van een casus
meer of minder over kinderen
en moord, vrouwenmarteling
en moord; zoeken naar woord
na woord om het ongehoorde,
het onzegbare, in vormen voor
de lezer te stellen, waardoor zij
kwellende werkelijkheden niet
zonder de brede poëtische blik
van dichters hoeven te slikken.
Als voorbeeld.
De realiteit is echter anders
dan wat ik beschreven heb.
Gelukkig maar, want ik wil
geen god zijn, ook niet diep
in mijzelf. Ik wil zijn wie ik
altijd geweest ben: Alghar,
dichter der vreemdelanders.
Belanden tussen ademende
bla’ren in nevelige schuld,
dwarrelen als oude besjes,
verdwijnen in verstilde tijd,
seizoenskleuren betreuren,
goudvocht in aarde klaren,
zal mij niet snel gebeuren.
- in extremis (zweef even voort)
Kijk, dacht ik
hoewel ik niks laat zien
want ik hoef mij zeker niet
in kinky outfits te hijsen om iets te bewijzen
wat nooit
maar dan ook nooit
never nooit niet
zal zijn omdat iemand mijn
vrijheid gaat beknotten
een zotte vlotte haarstijl verlangt
mij bang maakt en laat kwijlen
wat jullie, ijdele taalfrutselaars opschrikt
van de vertrouwde moeilijkdoenerijhijgerijen
jullie je aan mansplainingstechnieken wagen, op de grenzen grazen van onze
behaaglijk gemaaide tuintjes
en persisteren als kwelgeestende
ijle kwallen en als beestende ouwemanneheren door de tere uren van nachtbrakers
de klassiekers berijden
Dus ik kan dit ook!
En niemand houdt mij tegen!
- help ons stranden
help ons stranden
aan deze kust zonder goden
als tijddodende verzanding
als ebgolven aanspoelen
als weekdieren wegzakken
in zanderige banken
in een tent op het strand
laat ons het zout zoet smaken
helmgrassen de wind bedaren
als opklarende mantelmeeuwen
als voor scheidende wolken
als met steile duiken omlijsten
stook de branding op met vlagen
verjaag vertragende momenten
- op zoek naar een glimp
op zoek naar een glimp
in de ondergaande zon
die hen toch anders zag
vanuit dien perspectief
toen handen nog dansten
als vogels op winterwind
had ik dan willen zeggen
over plichtplegingen heen
ergens door dat gekwetter
vervliegt elk idee van tijd
verloor het strand terrein
aan land kruipt het water
wij zwommen daar maar
op lange tenen gedreven
en verzilte levenswonden
baden in matig maanlicht
- ‘vers uit de struik’
meer dan een classicus als oppaspapa
en een ondoorgrondelijke snarengod
als pseudopater familias had ik nooit
moeder moet een loeder zijn geweest
een kleintje onbeschermd in de berm
bij een duivels kruispunt achterlatend
‘vers uit de struik’ bleef het adagium
terwijl de doornwonden nog heelden
vonden kwelende dichters mijn naam
door het ijskoude afscheid gelauwerd
als een vrucht geplukt van de wereld
zal ik, Alghar Min-Al’adghal, bestaan
- waar ik vandaan kom
armen langs de rivier
mijn lichaam stroomt
waar ik vandaan kom
zal alles anders wezen
de hoofden in wolken
verdwaasd vervlogen
waar ik vandaan kom
is ieder wezen anders
op de verkregen benen
heel kort als evenbeeld
waar ik vandaan kom
in wezen anders niets
harten achter alle dijken
tegen klotsende vloeden
waar ik vandaan kom
wezen iets anders aan
- ik ben gemaakt
over de slagschaduwen hoorde ik
van tegenvallend licht
waar geen touw aan vast te knopen viel
en met niet meer dan
een verlangzaamd verlangen
blijkt mijn lot daar
aan opgehangen te zijn
ik las objectpermanentie
en het besef kwam direct
dat ik toen al begreep
in essentie
dat zij bleven bestaan
voordat mijn geheugen
ruwweg geslepen was
om hier en vandaag
ver van hen vandaan
een vlaag van een herinnering
aan hun gezichten
een kleine verrichting wellicht
toe te kunnen dichten
er is geen invallend licht
wat een zindering oproept
geen gelaat of contour
geen geur nog
noch een smaak
waarvan ik bovenmatig kwijlen ga
of overstuur raak
ik ben gemaakt
zonder eigen schaduw
en als wraak zal ik
uit de luwte stappen
in opvallend licht leven
- De gang door mijn verleden
De gang door mijn verleden
kent vele gesloten deuren,
dichtgemetselde doorkijkjes,
lijken misschien wel
in weggewerkte kasten.
De vloer ligt wisselend bezaaid
met klinkklare kletskoek,
vurige vreemdelingenhaat,
onvolprezen voorwendselen,
grenzeloosheid in ruime mate,
om over schreden niet te spreken.
De muren spreken met tongen
verwikkeld in ingewikkeldheid,
ontluisterende ledigheid,
de lieve vrede veilig delibererend,
reflecterend op het koekoeksnest:
‘zo zal het zijn gegaan’
- ‘t waren vaak hun stemmen
‘t waren vaak hun stemmen
gedragen door overtuiging
die mij door de tijd heen
dat gevoel van thuiskomen
schonken in mijn schoot
’t moet zo’n seizoen geweest zijn
om vragen rond de werkelijkheid
die onvermijdelijk komen zouden
met een betrouwbaar ogend verhaal
een levensgeschiedenisbos in te sturen
’t is een tigste natuur geworden
die vertragingen in vertrouwen
inbouwen als onderduikkasten
om veiligheid te bieden achter
boeken die de angsten bewaken
’t zijn nog altijd hun woorden
onverzadigbaar doordravend
tegen de koppige groepen in
oproepend tot wedervragen
met beklagenswaardig resultaat
- Afgesloten van de wereld
Afgesloten van de wereld
door kale takken;
geen geritsel van bladeren,
geen buigen van doornen.
De stille druk van de winter,
de zon lijkt te sterven;
na de schoot van het begin
keert de donkere diepte weer.
De duisternis smaakt naar mos,
geen tijd weegt het oordeel;
dromen hersteld in de wortels,
gescheiden van de wereld.
Wachtend op lichtdoorbraak,
mijn hart verzamelt kracht;
niet verloren in deze kou,
in vrede groeit de belofte.
- Alsof míj…
Alsof míj
de mond weer gesnoerd werd,
mijn handen gebonden,
in vergeten tijden,
door grenzen van hen
die mijn geboorte
de grootste zonde vonden.
Mijn creativiteit die direct
de felste strijd aangaat
met de benauwende onlogica
van onnadenkendheid.
Een aangeboren felheid
waarvan ik
de genetische oorsprong
niet herinner,
noch iets voor voel
in die donkere poel
te duiken
en te zeggen:
‘zie dat kind!,
Ecce puer!’
Ik schrijf zelf wel
het water vol woorden,
laat elke zin doorgolven
in dromen
zoals ik ze wil.
- Als, dan; en andere nonsens
Als ik in de woorden van nu
het gelogen verleden lezen blijf,
zie ik niet waar de toekomst over gaat;
als ik die bril van het aangeleerde,
die verkleuring door wenselijkheid,
niet afzetten wil tegen inhoudsloze taal;
als ik mijn fantasie boven de realiteit stel,
mijn gevoel laat prevaleren,
in plaats van het verstand te waarderen;
als ik versleten kennis van toen,
lang en breed weerlegde nonsens,
mijn ijdele hoogmoed niet onderken;
als ik de werkelijkheid niet meer deel,
de waarheid niet onder ogen kom,
ik niks van het leven begrijpen wil.
Dan kan ik achteloos gelukkig zijn,
op eeuwenoude leugens blijven hopen,
geloven dat het allemaal wel losloopt;
dan kan ik de ander buitenspel zetten,
mijn leefbare wereld bij het grof vuil,
op basis van dogma’s en egocentrische bellen;
dan kan ik ook gelijkheid gelijkstellen
aan betekenisvollere gelijkwaardigheid,
en zo mijn winst op jouw vingers natellen.
- In de stilte van deze ochtend
Er was eens, lang geleê
een zekere nimf D.;
en ene god A.
getroffen door het gif
van een loden pijl
uit de koker van
de welbekende C.
die D. werd al gauw
omgetoverd tot laurier
door en naast haar pa
de verraderlijke P.;
Uit die schaduw van D.
aan de dubieuze rivier de P.
en dat gelauwerde hart van A.
verscheen, lang geleê
de verzwegen waarheid.
- droeg een tak van D.
jaren bloedend
als een corona rond
zijn vergiftigde hoofd
alsook verzwaard door
het immer ongezegde.
In de stilte van deze ochtend
vastgelopen in die eeuwige strijd
tussen kortetermijn en bestendigheid
eigenbelang en redelijkheid
zou zij gehoord moeten worden.
- als je eenmaal weet
als je eenmaal weet
hoe de trappen klinken
vanachter de gesloten deur
als je eenmaal weet
welke stappen overgeslagen worden
op de schreden naar beneden
als je eenmaal weet
dat diep in je afwezige zelf
wel een vredige ruimte bestaat
als je eenmaal weet
waar die sleutel zich bevindt
voordat de werkelijkheid binnendringt
als je eenmaal weet
wat je het liefst zou verstoppen
achter grendel en slot
- vol vergeten tranen
Met blanco blik staar ik
zelfverklaard
naar dit refrein van herhalingen
of ik deze cycli doorbreken kon
alle woorden vermijden
die voortkwamen uit catastrofes
danwel overdracht voorkomen
door de kunst van het lijden te weerstaan
mijn spiegelbeeld reflecterend
ingezaaid en wel
alle ouwe shit laten composteren
ver van het nu en dan
weggeschreven als vers
gecultiveerde gevoelens
op omgewoelde bedden
vol vergeten tranen