R.E.N.S. Odysseus’ verhaal
I. voor de val
II. intermezzo
III. na de val
IV. keer-op-keer
V. valwind
VI. Kalypso
VII. op eigen grond
VIII. Ons vertrek
===
Mijn voornaamste bronnen voor de Odysseus-cyclus waren:
‘van Achilles tot Zeus’ door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve
(zie voor alternatieve verhaallijnen de bronnen van dit boek);
Wikipedia; en mijn eigen fantasie
Hiernaast gaat mijn grote dank uit naar Maxim van der Meulen
voor het meelezen en specifieke puntjes op bepaalde i’s zetten.
===
I. voor de val
Ik wilde niet, echt niet, niet mijn Ithaka verlaten,
dus veinsde ik waanzinnigheid en ploegde met os
en ezel het strand om en zaaide zout.
Echter was het mijn grootvader, Palamedes, die mij
doorzag, – laat ik daar eens mee beginnen. Ik kon
zeker niet goed jagen: vraag het de broers van mijn
moeder, Antikleia, allen kinderen van Autolykos, zij
zullen beamen dat de oorzaak van mijn ene litteken
slechts een onschuldig ongelukje was.
Telemachos, mijn zoon, was zeker geen ongelukje,
en geen toeval, schone Penelope, noch zal mijn liefde
voor jou ooit, door welke tegenslag dan ook, vergaan.
Was het uit wrok, of toch uit pure toewijding voor
het hogere doel van de oorlog, ik trok Achilles bijtijds
uit het hof van Lykomedes op Skyros, waar diens moeder,
Thetis, haar zoon had verstopt. Ook heb ik vruchteloos
geprobeerd, samen met Menelaos, de man van Helena,
haar op diplomatieke wijze vrij te krijgen,
om de Grieks-Trojaanse Oorlog alsnog te voorkomen,
maar die scheen uiteindelijk onvermijdelijk te zijn.
Mijn bescheiden vloot van twaalf schepen stak schraal af
bij die van vervaarlijke grootse strijders als Aias, en steeds
weer die Achilles (met zijn Myrmidonen). Echter is dit niet
zijn verhaal, daar ík nog rap van tong ben, voor een dode
spreker helemaal; de sluwste ideeën kwamen ook toen
van mij, netjes gebracht of onverwacht dwingend: zelfs
Achilles draaide daardoor zijn zeilen bij en streed weer,
na een onnodige onenigheid, onder Agamemnons leiding
mee. Diomedes en ik zijn wellicht op nachtelijke verkenningstocht
geweest, hebben in het Trojaanse kamp wat stennis geschopt
waarbij wel doden zullen zijn gevallen, spion Dolen en koning
Rhesos toevalligerwijs, en wat mensen gewond geraakt en prijs
gemaakt. Maar ik weet niet alles even duidelijk meer.
Het draait allereerst om wat destijds gebeurde: vóór
de val van Troje wachtten wij jarenlang, bluste ik
interne brandjes, suste conflicten met woorden.
Dat is wat ik goed kon. Míjn list en diplomatieke kunsten
lokten Iphigeneia, de dochter van Agamemnon, naar Aulis,
als offer voor wat gunstiger winden, – al beweren anderen
dat Agamemnon zelf Achilles had beloofd als huwelijkskandidaat
voor zijn zuster. Wees gerust, hij zou dat nimmer hebben gedaan.
Míjn list en bedrieglijke woorden kregen Philoktetes met zijn
beroemde boog en zijn zeven schepen naar Troje, – jammer
dat hij zo stonk en amok maken bleef. Maar niet voordat ik,
samen met Phoenix en Diomedes, Neoptolemos had opgehaald
uit het hof van Lykomedes, een waarlijke bastaardzoon
van die wraakzuchtige Achilles, – zonder wie wij nooit
Troje zouden kunnen innemen volgens waarzegger Helenos,
die pas waarschuwde ná de dood van Achilles.
Dit alles, en meer moois,
gebeurde nog vóór de val van Troje.
===
II. intermezzo
Er zijn al duizenden verhalen over mij verteld,
mijn daden in alle talen vertaald. Gekweld
door elke onwaarheid, die ik rusteloos aanhoorde,
wachtte ik eeuwenlang met deze antwoorden.
De werkelijkheid zoals ik die heb vormgegeven,
het bloed dat aan mijn handen is blijven kleven;
de schuld en schaamte die eeuwigdurend branden,
herinneringen bleven waarin ik blijf verzanden,
levend houden. Onder andere door koude handen,
uit zwarte grond strekkend, die snijden als tanden
door mijn gebutste geweten, mijn dikke huid ten spijt.
Hier, voorbij het einde van mijn zijn, ben ik mijzelf kwijt-
geraakt. Aangetast in mijn eergevoel, het overgebleven
plukje trots dat ik, vanonder mijn rots, met enig beven,
om van angst niet te spreken, nog durf te verdedigen;
na dit era van stilte, laat ik mij niet langer beledigen.
Vanuit het dodenrijk zal ik jullie de waarheid vertellen,
door alle tranen die om het onnodig lijden opwellen;
ik was een held, noch een lafaard, ik deed alleen wat ik moest doen,
wat ik heb gedaan was goed noch fout. Zo werd niet gedacht toen.
Over de val van Troje zal ik echter nooit reppen, uit mededogen:
de gevolgen van mijn sluwheid, de mensheid die ik heb bedrogen,
de eed van Zeus die ik in mijn doortraptheid heb gebroken,
aan de grootste roem en het diepste verdriet heb ik geroken.
Maar het verhaal, zoals jullie het nu voorgeschoteld krijgen,
door Hoyte en Nolan, dwingt mij te breken met mijn zwijgen.
===
III. na de val
Hoe ik als enige de boog spannen kon,
welke ik gekregen had van gastheer Eurytos
aan het hof van Mycene, zal ik nooit bekennen;
en waarom ik nimmer mijn doel miste,
– dat weten hedendaagse gamers inmiddels ook,
er bestaat zoiets als een ‘aim-assist’.
In mijn tijd bestonden de goden ook niet echt,
het was een manier om recht te spreken
over de mannen, om hun macht in te perken,
– dat Zeus later nog is verkozen tot De Almachtige,
is voor eerdere generaties een inflatie van wat
de goden betekenen voor mens en beschaving.
Na de val van Troje, waarover ik voor altijd zwijgen zal,
wilden wij, mijn bemanning en ik, terug naar huis en haard,
met baard en al naar Ithaka; wij smachtten, na tien lange jaren,
verbouwereerd door het doorstane leed, naar onze zeer
geliefde vrouwen, kregen almaar meer honger. Op Ismaros,
het eiland der Kikonen, roofden wij alles wat er te eten was.
Na een beestachtige braspartij, tegen de ochtend,
werden wat manschappen van mij, terecht of niet,
aan speren geregen door de inheemse bevolking.
Laat ik voorop stellen dat ik, als bevelhebber,
als koning nog wel, ongedeelde verantwoordelijkheid
droeg over het doen en laten van mijn mannen,
maar zelfs ik was niet in staat om de krachten der
natuur te voorspellen of met eigen denkkracht
te mennen. Zo liet ik verkenners vooruitgaan,
aangekomen op het eiland van de Lotuseters,
de Lotofagen, waar zij direct van de jujube aten
en niet meer mee naar huis wilden. Wij tilden ze
daarom met alle geweld weer aan boord, de vreedzame
bewoners zagen ons aan, gingen onverstoorbaar door
met hun leven. O, konden wij dat toen maar.
Doodvermoeid door dit gebeuren koos ik
kennelijk het verkeerde sterrenbeeld aan
de stuurboordkant, waardoor wij afkoersten
op de grootste waanzin die in de hoofden van
mijn bezeten makkers postvatte. Het eiland
hierna werd bewoond door bizar grote lieden,
zeker vergeleken bij de ondergemiddelde lengte van
mijn mannen uit Ithaka schenen het wel reuzen, zelfs
hun schapen staken met kop en schoft boven ons uit;
de grotten waarin de hele bevolking leefde, leken op
hemelse gewelven, werkelijk indrukwekkend hoog
en donker, het stonk onbedaarlijk naar excrementen.
Waarom al die mensen één oog hadden uitgestoken,
misschien als onmenselijk ritueel bij volwassenwording,
is ook voor mij één van de overgebleven raadselen uit
die tijd. Toen, in dat verleden, waarover zoveel is gezegd
en geschreven, verdraaid en zwaar overdreven, – daarom
treed ik nu uit de schaduw naar voren met mijn verhaal,
als reactie op onzin die, door de donkerste eeuwen heen,
tot op de dag van vandaag, over mij en mijn daden
verkondigd zijn. Dit is mijn eerste en laatste poging
om de waarheid, van dat wat toen werkelijk gebeurde,
te laten zien aan eenieder die het weten wil, omdat we
de gevolgen daarvan tot op heden betreuren kunnen.
===
IV. keer-op-keer
Ik zal niet alle verhalen vol onwaarheden herhalen
of weerleggen, rechtzetten noch tegenspreken, die
door de eeuwen heen over mijn reis zijn verschenen.
Ik zou het firmament kunnen vullen met de uitbundigste
leugens, de meest vreemde verdraaiingen, de overtreffende
trappen van overdrijving en het buitenproportionele hopen
van mensen op de mogelijkheid van heldendom, een bijna heilig
geloof in wonderen, – als de leugens als sterren konden oplichten.
Ik moet er niet aan denken om vereeuwigd te worden als een held,
wat ik nooit was. Ik bracht mijzelf, en mijn mannen, steeds weer
in de problemen die onmogelijk en onoplosbaar leken; keer-op-keer,
alsof het een spelletje was: afhankelijk van de dobbelstenen
verschenen tegenslagen in verscheidene vormen en aantallen,
we waren aan de goden overgeleverd. Het zou niet lang meer
duren voordat we werden geconfronteerd met de wildste zee
ooit bevaren, waarover de mannen beweerden dat dit kwam
doordat we Polyphemos, een gigantische kerel, dronken
hadden gevoerd en vermoord om te ontkomen aan zijn blinde
woede. Ondertussen, ik was even bij Aiolos op visite geweest,
wilden de manschappen weten wat er in de zak zat die ik had
meegekregen van hem, zij vermoedden zeer kostbare schatten:
het was hun eigen ijdelheid en nagejaagde wind wat zij vonden.
Opgewonden door het zelfbedrog sloeg de angst hen om het hart,
door de smart vergaten zij te roeien met de riemen die ze hadden,
waardoor we verder afdreven van ons geliefde land, ons Ithaka.
Het kon niet anders dan dat we daarna strandden, in handen van
een vijandig volk belandden, de beruchte Laistrygonen. Zij die
af zouden stammen van Poseidon, gezeten in de stad Telepylus,
wilden ons wel als hun avondeten, ondanks dat een dochter
van koning Antiphates ons vergezelde naar haar vaders paleis.
Ik was wijs genoeg om als de wiedeweerga weg te wezen
met het resterende deel van mijn bemanningsleden, deze
immens brute soortgenoten achterlatend met hun bouwsels
waarmee zij rotsen de zee in konden werpen. Ik weet niet hoe,
maar mijn schip bleef als enige van alle schepen over: was dat
geluk of vakmanschap?
Ik verklap niks. Maar toen we vervolgens bij Circe verbleven,
leken mijn mannen wel in zwijnen te veranderen: haar eten
was zo verrukkelijk, ze stond gewoon te toveren in de keuken:
elke dag een feestmaal met goed gebraden beesten, geserveerd
in heerlijke sauzen gevuld met blauwe en meer vreemdsoortige
bessen, verse ui- en knoflookachtige, abstractere toevoegingen.
Zoals je wel vaker ziet bij alleenstaande vrouwen, ze weerde ons,
echte mannen, af; we moesten haar vertrouwen winnen,- je kunt
je afvragen of haar gedrag oorzaak of gevolg was van alleen-zijn.
Mijn manschappen waren dik geworden, zij likten hun borden af,
alsof zij niets anders konden bedenken, om te doen, dan eten.
Ik moest hen weer meekrijgen, onze reis was nog niet ten einde:
Hermes leverde een medicijn waardoor de mannen snel afvielen,
hun honger was gestild; de poging van Circe om mij te verleiden,
met haar kookkunsten, mislukte, – ik deelde wel het bed met haar,
maar niet zonder Circe het zwaard aan de keel gezet te hebben.
Daarna zijn we alsnog een tijd gebleven, opgelucht dat we leefden,
bovendien gaf Circe juiste aanwijzingen voor de toegang tot Hades.
Daar raakte ik de draad een beetje kwijt: wie was nou wie? Met wie
en, hoezo heb ik met de doden gesproken? Het kan niet anders dan
dat Circe mij bedrogen had, gedrogeerd met hallucinogene stoffen.
Tiresias, de blinde ziener die ook zeven jaar lang een vrouw was,
had evenwel gelijk, áls ik hem gesproken heb in het dodenrijk,
over wat mij en mijn mannen nog te wachten stond op onze reis
terug naar huis,
terug naar Ithaka.
===
V. valwind
Terug naar huis, terug naar Ithaka, naar onze vrouwen die
erop vertrouwden dat wij zouden wederkeren als mannen,
mannen met baarden en zwaarden, gesterkt in het strijden;
het diepe verdriet om het overlijden van onze makkers
in de hel van Troje, hadden wij allang overboord gegooid,
achter ons gelaten. Althans, dat dachten de achterblijvers.
Wie in levenden lijve, dagenlang, tussen de andere lijven,
stinkend en uiteindelijk ook stervend, half verzuipend
op een kluitje in de buik van een houten paard heeft gezeten,
weet wel beter, daar word je niet sterker of mannelijker van.
Maar wij, wij waren nog niet zo ver, wij gingen nog lange niet
naar huis. Het lot, noem het Zeus, voor mijn part het godd’lijke,
wat jij wil; ik weet dat we toen simpelweg waren verdwaald.
De zeehonden lagen te maffen, sommigen blaften, de wind
gierde door de klippen, golven braken, vertroebelden zicht.
Ik verplichtte de mannen hun oren te wassen, zodat zij de zang,
het valse gejank van zeehonden in de wind, beter konden horen,
maar zij vonden het ondoenlijk. Om het ijs te breken, als grap,
liet ik mij strak vastbinden aan de mast, ik schreeuwde dat het
een lieve lust was om boven dat onbenoembare volume van die
sirenes, die natuurverschijnselen uit te komen. In mijn naarste
dromen, tijdens mijn voorbije leven, kon ik het niet laten
mij over te geven aan de oneindige stromen van geluid die
in golven buitelden over mijn bewustzijn. Als vernauwing.
Als de nauwte niet bijtijds doorzien was, de Dwaalrotsen,
de verre van simpele passage tussen de Symplegades, waar
golven klapten op de kliffen, dan zouden wij gezonken zijn,
met z’n allen. Op een valwind, met man en macht roeiend,
ontstond een boeiende strijd tussen wilskracht en natuur, –
dat ongehoorde geweld sloeg zes bange mannen overboord.
De vallende stilte die daarop volgde was indrukwekkend,
maar werd spoedig verstoord door het loeien van runderen.
De ogen van mijn mannen begonnen te glunderen; het feestmaal
zag ik al flonkeren in hun ogen, magen knorden harder dan ooit,
maar dat diner diende niet door te gaan vanwege strenge wetten
omtrent eigendom, ondergebracht in het heiligdom van Helios.
Dom van mijn bemanningsleden om in een uitgegraven duinkom
alsnog hompen vlees te verorberen. Je kunt wel raden hoe het
met die mannen afgelopen is.
Ik eindigde als vis
in het ongewisse,
aangespoeld op een strand.
===
VI. Kalypso
Happend naar adem, spartelend als ik dat had gekund, lag ik
weerloos als een vis, ongewis, op het strand van een land dat,
na de zeven jaar die ik uiteindelijk ben gebleven, zomaar
van de wereldkaart lijkt te zijn verdwenen. Het moet zichzelf
met opzet verborgen hebben in een eenzaamste oneindigheid.
Ik zou mijn eigenheid zijn kwijtgeraakt, als ik gebleven was,
in de armen van zo’n ongekend schone vrouw die niet ouder
bleek te worden, ongehoorde dingen met mij deed, zo ik dat
wenste. En meer dan dat, kón ik krijgen, mits ik zou blijven
bij de grootste verleiding voor een hunkerende man: zij.
Het strand was witter dan wit; het water van de zee rolde
in kalme patronen op de achtergrond van ons leven mee;
de zon klom, iedere dag weer, keer-op-keer, de helblauwe
kom rond, die als een volmaakte hemel over ons heen stond
gebogen; zij was gevormd naar mijn zuiverste ideaalbeeld.
Daar, in een romantische hut, waar wij vrij leefden, bleef ik
met mijn gedachten bij Penelope, mijn Ithaka, mijn zoon,
– ik zou willen zeggen dat ik aan mijn dode makkers dacht,
maar de verleidingen, mijn behoeftes, mijn diepe smachten
naar liefde deed mijn eer en verantwoordelijkheid verslappen.
Ik zal niks verklappen, zei ik eerder al, net zomin ik spijtige
misstappen tijdens de strijd om Troje ooit nog opwerpen ging;
de scherpte van mijn tong, mijn diplomatieke kunde sterkte zich
aan de doortraptheid van Kalypso; zij wilde zo graag dat ik,
haar enige geliefde, zonder grieven voor altijd leven zou,
met haar. Daar op dat paradijselijke eiland verlangde ik naar
mijn Penelope, mijn Ithaka, mijn strijdende zoon die ergens
ver weg niet wist wie ik was. De droom van Kalypso spatte
uiteen, – waarna Athena meteen tegen Zeus zei dat Hermes
direct mij ontzetten moest bij die vasthoudende nimf Kalypso.
Het vlot, toch samen met Kalypso snel gebouwd, vertrouwden wij
rap aan de golven toe; ik telde mijn knopen, de vaart zat er goed in
vanaf het begin. Daarna begon de ellende van voren af aan;
Poseidon, toen een geduchte god berucht om zijn geweld
op zee, maakte mij overstuur. Maar dat was van korte duur.
Zeker vergeleken bij die zeven zware jaren die ik nodig had
om Kalypso tot bedaren te brengen, de verzengende gezapigheid
van dat traditionele wijf, haar tot-in-de-puntjes verzorgde lijf lag
altijd klaar voor mij. Maar dat was definitief voorbij, ik hoefde mij
geen zorgen te maken om de zoveelste schipbreuk die ik lijden zou.
Het blije gezicht van Nausikäa, terwijl ik naakt en verschrompeld
weer eens op een strand lag, maakte dat ik lachen kon, en huilen;
zij voelde van nature dat zij niet met een huichelaar van doen had,
maar een gekwetst mens. Nadat ik verzorgd was, luisterden haar
vader Alkinoös en moeder Arete, naar de stroom vreemde verhalen.
Daar kwam geen eind aan, zodoende, of ondanks dat, gaven zij mij
een schip waarmee ik, dankzij de bemanning, terug naar Ithaka,
terug naar mijn Penelope kon, naar Telemachos mijn zoon, Argos,
mijn hond, – kon die nog in leven zijn? Ik kon mijn geluk niet op,
sliep diep, nog even, dan zou ik weer op het strand wakker worden,
op eigen grond:
mijn Ithaka.
O, kon ik dat nu nog maar,
één laatste keer,
om het af te leren.
===
VII. op eigen bodem
Het waren de zwakkere broeders die achtergebleven waren,
toen wij manschappen voor het leger zochten, spaarden wij
de minder dappere, en misschien ook wel de minst knappe
knapen, om de vrouwen later niet in verleiding te brengen.
Mijn lang uitgestelde thuiskomst, de reis was tegen mijn zin in
eindeloos verlengd: men zou tranen plengen om de gestorvenen,
de ware helden van dit verhaal, wijn offeren, rijkelijk vergieten,
werkelijke slachtoffers de hemel in prijzen voor hun bereidheid
om te sterven. Voor hun koning. Ik, Odysseus, kwam nu aan land,
terug op eigen bodem, maar herkende het niet meer. Ik zweer
bij Zeus (excuus, oude gewoontes leer je moeilijk af) dat mijn kleren
de mensen denken deed dat ik, in een vod, een versleten kleed,
rondliep als een zwerver. Het ergerde mij niet dat men mij zelfs niet
als hun koning herkende. Sterker nog, dat kwam mij wel zo goed uit;
alle mannen uit vooraanstaande geslachten, dachten dat zij Penelope,
door de mouwen opstropen alleen, haar ongestraft konden schaken.
Stuk voor stuk, gekruiste bijl na bijl, faalden zij, daalden zij in achting
bij Penelope, mijn koningin, die überhaupt nooit had gehoopt dat één
het lukte wat slechts één man kon volgens de verschillende mythen:
de boog spannen, waar het allemaal om begon, – en de vrijers doden…
Daar moet je geen zoet wandkleed van weven, ook geen mooi einde
aan breien, of een opgevrolijkt verhaal over schrijven. Het lijden was
werkelijk afschuwelijk, niets om zomaar mee aan de haal te gaan. En
over Troje kan ik kort zijn: daarover blijf ik onverbiddelijk. Zwijgen
tot in dit graf,
onder de rots,
in de rivier die is ontstaan
uit mijn tranen.
===
VIII. Ons vertrek
Nu wordt het pas echt interessant voor elke geïnteresseerde
in de geschiedenis van mijn leven; over ons vertrek, Ithaka
achterlatend in handen van Telemachos, Penelope en ik,
is weinig tot niets geschreven en nog minder over bekend.
Ik weet niet precies meer met welk schip wij vertrokken,
de ondergaande macht van Helios tegemoet, het einde van
het tijdperk van moed, eer en glorie voor de donderende
goden, die ons destijds wegwijs maakten door de krochten
van Hades, de hel, waarvan nooit eens iemand vertelt,
– waarom zou dat zijn? of de haat
die zo hooghartig neerdaalt uit de hemel.
Ik zal de laatste zijn die in staat is een boekje open te doen,
toch is het veiliger als ik begin bij het begin van het einde:
wij vertrokken, Penelope en ik zwaaiden; aan de kade stond
onze zoon Telemachos met zijn vrouw Cassiphone, een dochter
van Circe, met Roma, ons kleinkind, – of dit moet zomaar
een beeld zijn dat ik in mijn hoofd heb gemaakt, geraakt
als wij waren door ons volk van Ithaka.
Ons land dat wij achterlieten, op weg naar eeuwige liefde
voorbij de horizon, verder dan ooit daarvoor gekeken was;
onze neuzen stonden in dezelfde richting, het boegbeeld spleet
de zeeën in tweeën, stevig op de romp; zelfverzekerd stegen we,
tegen alle verwachtingen, hoger dan we voorheen durfden,
sneller dan stiekem gedroomd, vlogen we over de golven
die als zomerwolken zo donzig plonsden tegen de bodem
van het schip, dat, net zomin als wij, wist welke richting
te gaan,
waar het stranden moest.
Zelfs áls het water woest tekeer ging, een woede-uitbarsting
zoals die ouwe Poseidon dat angstaanjagend goed kon, knarste
het hout nooit met zijn tanden, proestte de steven niks uit,
bak- noch stuurboord raakte voortdurend het watervlak:
onze boot was een magisch schip van pure liefde.
Het was de dood of de gladiolen, – van de weeromstuit klonken er
paukenslagen noch violen, noch mannenkoren die de spanning
opbouwden, of synthesizers die je hartslag bepalen
door herhaalbeats, – dat was er destijds allemaal nog niet.
Onverwacht dus sloegen wij te pletter. Althans, het schip kletterde
op de rotsen van een land: wij botsten en klotsten, ondanks ons
gespetter, onze heilloze pogingen om te zwemmen, steeds verder
terug de zee in, het strand verdween uit het zicht.
Voordat het sterrenlicht verscheen.
Men zegt weleens dat heengaan door verdrinking vredig kan zijn,
– ik heb mij sindsdien vaak afgevraagd hoe men aan die wijsheid
gekomen is.
Aan de kwelling van de hel went men niet, hoe triest het leven ook
voorbijgleed, ongeacht de kwellingen der dagelijkse dwalingen, heter
dan de kolen waarover je schreed, het vuur waarin je ooit je handen
steken zou voor wie of wat, toen, voor jou van belang was,
– dacht je.
Mijn leven was een hel, dat hoef ik niemand meer te vertellen, over
de val van Troje zal ik blijven zwijgen; deze vreselijke oneindigheid
die ik aan mijn broek heb gekregen, dankzij mijn onderscheide list
en mijn ongekende gaven in diplomatiek fabuleren, opkalefateren
van overduidelijke feitelijkheden en de naakte waarheid.
Juist dat maakt dat je mij deze keer kunt geloven op mijn woorden,
al was het maar omdat ik niks meer te winnen heb, of te verliezen,
hier, onder mijn rots,
gevangen in de eeuwigheid.
===