De Pinoceros – het wezen dat niet wist wat waarheid was
“Wie ben jij?” vroeg hij. De Pinoceros wilde zeggen: Ik ben sterk. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben bijzonder. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben niet bang. Maar zijn stem trilde. Toen zei hij uiteindelijk: “Ik weet het niet.” De hoorn kraakte. Een klein stukje brak af. De Pinoceros keek verbaasd. “Ik ben bang,” zei hij. Weer brak er een stukje af. “Ik ben soms ijdel.” Nog een stuk. “Ik wil dat anderen mij bewonderen.” Nog een.
“Ik heb gelogen omdat ik bang was dat de waarheid niet genoeg zou zijn.” De hoorn werd korter. En toen hij eindelijk zei: “Ik weet niet wie ik ben, maar ik wil het graag ontdekken,” viel de laatste zware punt in het gras.
De Pinoceros keek naar zijn spiegelbeeld. Hij verwachtte een gewone jongen te zien. Of een neushoorn. Maar hij zag nog steeds hetzelfde vreemde wezen: een jongen, een dier, een vraag. En opeens begreep hij iets. Waarheid is niet het tegenovergestelde van fantasie. Waarheid is niet eens altijd een antwoord. Soms is waarheid de moed om een vraag open te laten. Hij hoefde niet te kiezen tussen Pinokkio en de neushoorn. Hij hoefde niet te beslissen of hij zacht of sterk was. Mens of dier. Onschuldig of schuldig. Kwetsbaar of machtig. Hij was het allemaal. En misschien was dat precies wat hem zo vreemd maakte. En zo menselijk.
Vanaf die dag liep de Pinoceros door het bos. Zijn hoorn was kort geworden, maar niet verdwenen. Want een mens zonder verlangens, angsten of tegenstrijdigheden bestaat niet. Af en toe vertelde hij nog een leugen. Dan voelde hij zijn hoorn een beetje groeien. Hij glimlachte dan – niet omdat hij trots was op zijn leugen, maar omdat hij inmiddels wist wat hij moest doen. Hij stopte. Keerde terug. En zei: “Laat ik het opnieuw proberen.” Want volwassen worden, ontdekte hij, betekent niet dat je nooit meer liegt. Het betekent dat je leert terug te keren naar de waarheid. En zo werd de Pinoceros uiteindelijk geen jongen. Geen neushoorn. Geen monster. Geen held. Hij werd iets veel zeldzamer: zichzelf.
En wanneer de maan ’s nachts over het bos scheen, kon men zijn gestalte zien tussen de bomen: een glanzend wezen met een korte hoorn en een oud gezicht. Een beetje Pinokkio. Een beetje neushoorn. En helemaal, enkel en alleen: een waarheid die nog steeds onderweg was. Want elke waarheid die onderweg is, draagt het wonder in zich dat zij morgen iemand anders kan zijn.
J.J.v.Verre.