De droge hitte hing zwaar over het kamp. De mantel, het zilver en het goud waren al uren geleden onder de tentvloer vandaan gegraven. Het oordeel was geveld, onherroepelijk en hard.
Bij de ingang van de tent zat Thirza op haar knieën in het stof. Ze was vijf en begreep de stilte niet die als een loodzware deken over het gezin lag. Haar vader was weg naar iets belangrijks.
Mannen met strakke gezichten kwamen naderbij en begonnen zonder een woord de pinnen van de tent los te trekken. Het doek zakte in elkaar, alsof de beschutting van hun hele leven in één haal werd opgevouwen. Alles werd verzameld: de dekens, de houten kommen, het beeldje. Ook het weinige vee achter de tent werd losgemaakt en meegenomen.
Thirza keek om zich heen. De grote mensen waren druk bezig en iedereen droeg iets weg. Ze wilde helpen, net zoals ze altijd hielp wanneer ze verder trokken door de woestijn. Ze liep naar haar moeder Ada toe en trok aan haar kleed. Ada staarde met holle, droge ogen naar de mannen die hun bezittingen wegdroegen.
“Mama?” piepte Thirza.
Ada keek langzaam omlaag. Het intense verdriet op haar gezicht sneed door alles heen, maar toen haar blik op het kleine meisje rustte, verzachtte er heel even iets in haar ogen. Een broos, pijnlijk glimlachje verscheen om haar lippen, de laatste schuilplaats van moederlijke liefde midden in een instortende wereld.
“Mag ik ook wat dragen?” vroeg Thirza met een ernstig gezicht, terwijl ze haar kleine handen al uitstak.
Ada slikte de brok in haar keel weg. Ze boog zich voorover en wees naar een scherf van een gebroken kruik die naast een stapel huishoudspullen in het zand lag.
“Neem die maar, schatje,” fluisterde ze met een schorre stem. “Draag die maar heel voorzichtig.”
Thirza pakte het koele aardewerk stevig met één hand vast. Ze klemde het tegen haar borst en pakte met haar andere hand de hand van haar moeder. Samen sloten ze aan in de lange, stille rij die het dal in werd geleid, niet wetend dat de weg die ze gingen geen terugkeer kende.