De zon hing al laag over de heuvels van Gilead toen Chaviva haar hartsvriendin Tamar ontmoette op hun vaste plek bij de oude olijfboom. Tamar kwam aanlopen met een brede lach, haar armen vol verse bloemen, nog nagietend van de feestvreugde in het dorp.
“Chaviva!” riep Tamar vrolijk. “Wat een feest! Je vader heeft de Ammonieten verslagen! Heel het dorp jubelt. Waarom ben je zo stil? We moeten dansen!”
Chaviva keek haar vriendin aan. Ze tilde haar handen op, maar niet om de bloemen aan te nemen. Tamar zag pas toen hoe wit de lippen van haar vriendin waren en hoe haar ogen stonden, niet vol overwinning, maar vol van een diepe, onpeilbare schrik.
“Tamar… leg de bloemen neer,” zei Chaviva met een zachte, trillende stem. “Er is geen feest voor mij.”
Tamar liet de bloemen langzaam zakken. “Wat zeg je nou? Je vader is als held doorgelaten bij de poort. Hij heeft gewonnen!”
“Hij heeft gewonnen,” zei Chaviva, en een eerste traan maakte een spoor door het stof op haar wang. “Maar hij heeft een gelofte gedaan aan God. Voordat hij de strijd in ging, beloofde hij: ‘Wie mij als eerste vanuit mijn huis tegemoet komt als ik zegevierend terugkeer, zal voor de HEER zijn… ik zal het als brandoffer brengen.’“
Tamar fronsde, alsof de woorden niet tot haar doordrongen. “Een offer? Prima toch? Een geit of een lam uit de stal…”.
“Ik was het, Tamar”, fluisterde Chaviva. “Ik was zo trots. Ik hoorde de trompetten en ik rende als eerste de deur uit met mijn tamboerijn om mijn vader te omhelzen.”
Het werd doodstil tussen de olijfbomen. De kleur trok volledig weg uit het gezicht van Tamar. “Nee”, stamelde ze, terwijl ze een stap achteruit deed. “Nee, Chaviva, dat kan niet. Dat mag niet! De wet verbiedt het! Hij kan… hij kan zijn eigen dochter toch niet…”
“Hij heeft zijn kleren gescheurd” zei Chaviva heel rustig, alsof ze een droom vertelde. “Hij zei dat hij zijn mond heeft opengesperd tot de HEER en dat hij niet meer terug kan. Hij weigert zijn woord te breken.”
“Dan is hij gek geworden!” schreeuwde Tamar nu, en de tranen schoten in haar ogen. “We gaan naar de priester! We gaan naar de oudsten bij de poort! Dit is moord, Chaviva!”
Chaviva pakte de trillende handen van Tamar vast en keek haar strak aan. In haar ogen lag geen paniek meer, maar een wonderlijke, droefgeestige waardigheid.
“Het helpt niet, Tamar. Mijn vaders trots is harder dan de rotsen van deze bergen. Hij zal niet buigen. Ik kan mijn lot niet ontlopen.”
Tamar liet zich op de grond zakken en sloeg haar handen voor haar gezicht. Chaviva ging naast haar zitten in het gras en sloeg een arm om haar heen.
“Ik heb hem om één ding gevraagd” fluisterde Chaviva zacht in het haar van haar vriendin. “Twee maanden tijd. Twee maanden om naar de bergen te gaan, weg van het dorp. Ik wil niet alleen zijn, Tamar. Ik wil dat jij meegaat. Jij en de andere meisjes. Ik wil met jullie treuren… om alles wat nooit zal zijn. Om de bruiloft die ik nooit zal hebben, de kinderen die ik nooit zal wiegen, het leven dat mij wordt afgenomen.”
Tamar keek op, haar gezicht nat van de tranen, en ze omhelsde haar vriendin zo stevig als ze kon.
“Ik ga mee” snikte Tamar. “Ik wijk geen week van je zijde.”