Bij de bagagecontrole op Luchthaven Port Moresby vraagt de douanier hem zijn koffer op de band te zetten.
Hij ritst hem open. Opgevouwen shirts, korte broeken, een paperback, toiletspulletjes in een doorzichtig zakje.
De douanier pakt er een opgerolde handdoek uit. Hij rolt hem af en een gladde, lichtbruine koker, smal en stijf, met een koord eraan, komt tevoorschijn.
‘Van u?’ vraagt hij.
De man trekt zijn wenkbrauwen op en schudt zijn hoofd. ‘Nee. Wat is het?’
De douanier kijkt naar de vrouw naast de man.
‘Hij heeft het niet ingepakt. Ik heb hem zien pakken,’ zegt ze.
‘Heeft u uw bagage onbeheerd achtergelaten?’ vraagt de man.
‘Nooit,’ zegt hij.
De douanier schuift een tablet naar voren. Hij klapt hem open en tikt en veegt met zijn vinger op het scherm. Hij draait het scherm naar hen toe.
Een foto van een open plek aan een rivier. Een donkere man op een pad tussen hoog gras. Naakt. Alleen een veer in een band om zijn hoofd en een smalle koker die met een koord strak omhoog is gebonden. Hij kijkt recht de camera in.
‘Haryanto. Stamhoofd van de Marai. Al zeven dagen vermist,’ zegt de douanier. ‘Heeft u hem gezien?’
‘Nee.’
‘Zeker?’
De man buigt naar voren.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Die zou ik onthouden.’
De douanier steekt zijn hand uit.
‘Uw telefoon.’
Hij schuift hem over de tafel. Noemt het wachtwoord.
De douanier veegt. Stopt. Hij draait het scherm.
Op de foto staat hij naast de man van de open plek. Hun schouders raken elkaar.
‘Dat…’ zegt hij. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik… ik weet niet wanneer die is genomen.’
De vrouw draait haar hoofd weg.
De douanier pakt het object weer op. Houdt het naast het scherm. Zijn blik gaat heen en weer.
Ze gaan naar een aparte ruimte. Twee stoelen en een tafel. Geen ramen.
‘Blijft u hier,’ zegt de douanier.
Hij sluit de deur.
De man gaat zitten. Zij blijft staan.
‘Wat heeft dit te betekenen?’ zegt ze.
‘Wat?’
‘Die foto op je telefoon.’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Geen idee.’
Ze kijkt hem aan. Lang.
Hij kijkt naar zijn handen.
Aan de andere kant van de deur wordt gepraat. Hij verstaat Haryanto. Ook zijn eigen naam, verkeerd uitgesproken. Verder wat losse woorden: koteka, bagasi, paspor.
Hij denkt aan de dag dat hij alleen wegging. Zij bleef bij het zwembad. Hij zei dat hij ging lopen. Even de weg af, kijken waar die uitkwam.
Er was een pad. Modderig. Hij weet nog dat hij zijn schoenen schoonveegde aan gras.
Daarna niets.
‘Je was een dag weg,’ zegt ze.
Hij kijkt op.
‘Weg? Welke dag?’
‘Die dag dat je alleen ging wandelen. Waarheen?’
Hij knippert met zijn ogen. ‘Weet ik niet meer.’
De deur gaat open. De douanier komt binnen. Hij gaat tegenover hem zitten en legt een formulier en een plastic zak met het object op tafel.
‘We gaan uw bagage verder onderzoeken,’ zegt hij. ‘Uw paspoort houden we voorlopig in.’
Hij knikt.
‘U blijft hier.’
De douanier schuift hem het formulier toe.
‘Lezen en ondertekenen.’
Hij pakt de pen. Zijn hand trilt. De letters zijn wazig.
‘U begrijpt dat dit…,’ zegt de douanier, ‘…ernstig is?’
‘Ja,’ zegt hij.
Hij zet zijn handtekening.
De vrouw staat nog steeds. Ze rommelt in haar tas. ‘Ik ga even bellen,’ zegt ze.
Hij volgt haar met zijn blik.
Uit haar tas steekt de punt van een veer.