De uren die volgen glijden voorbij in een vreemde, verdoofde waas. Het huis, normaal gesproken gevuld met de bedrijvigheid en de vrolijke chaos van de kinderen, blijft angstaanjagend stil. Buiten tikt de middag door, maar binnen staat de tijd stil.
Jan wijkt geen moment van haar zijde. Nadat de eerste schok en de rauwe tranen hebben plaatsgemaakt voor een loodzware uitputting, helpt hij haar overeind. Met een tederheid die bijna breekbaar aandoet, brengt hij Talitha naar hun slaapkamer. Hij trekt haar zachte kleren aan, stopt haar in onder dikke dekens en zet een glas water op het nachtkastje. Alles gebeurt in stilte; woorden schieten tekort en voelen bovendien zinloos aan. Er valt niets te relativeren, niets te verzachten.
Als het tijd is om de meiden op te halen van school en de opvang, ontstaat er even een praktische muur waar ze doorheen moeten. Jan ziet de aarzeling in Talitha’s ogen; ze wil de kinderen niet belasten met de duisternis die nu door het huis waart, maar de gedachte om nu vrolijk en normaal te moeten doen voelt als een onmogelijke opgave.
“Blijf maar liggen,” zegt Jan zacht, terwijl hij zijn jas aantrekt. Zijn stem klinkt schor, maar vastberaden. “Ik haal ze op. Ik bedenk wel iets … we zien straks wel verder.”
Alleen in de grote, stille slaapkamer staart Talitha naar het plafond. De fysieke pijn in haar onderbuik is er nog steeds, een doffe, constante herinnering aan wat zojuist is afgebroken. Maar het is de leegte in haar hoofd die het zwaarst weegt. Die twee maanden waarin ze stiekem al plannen hadden gemaakt, waarin ze hadden nagedacht over waar de wieg zou komen te staan en hoe de meiden zouden reageren op een broertje of zusje; het is in één klap geschrapt door de realiteit.
Wanneer de voordeur beneden even later weer openzwaait, hoort ze het vertrouwde geluid van kinderstemmen, lachende geluiden en tassen die op de halvloer worden gegooid. Het leven gaat door, en het heeft volkomen lak aan de rouw die zich op de bovenverdieping afspeelt.
Jan vangt de drukte beneden op met een kalmte die bewonderenswaardig is, hoewel Talitha aan de lichte spanning in zijn stem hoort hoe diep het ook bij hem snijdt. Niet veel later hoort ze zachte voetjes op de trap. De deur van de slaapkamer gaat op een kier, en het vrolijke, nieuwsgierige gezichtje van Hilde verschijnt in de opening.
“Mama? Papa zei dat je niet lekker was. Kunnen we even bij je komen?”