De regen viel al dagen onophoudelijk uit de loodgrijze hemel. Het erf rond de lemen hut was een diepe, rode modderpoel geworden. De hele vlakte rook naar klamme grond.
Naäma groeide op in een tijd waarin de aarde vol geweld was. Voor haar was de wereld nooit veilig geweest. Toen ze zes was mocht ze een keer met de jongens uit de nederzetting mee naar de rand van het bos. Onder het bladerdak sloten ze een cirkel om haar heen en duwden haar van de een naar de ander tot ze huilde. Thuis keek haar moeder niet op van het weefgetouw. Haar vader, gewekt door haar gesnik, greep haar vast en sloeg haar. “Nu heb je tenminste een reden voor die tranen.”
Toen haar broer op een dag bloedend thuiskwam, bevestigde hij zwijgend een scherpe vuursteen aan een eiken tak. Diezelfde nacht zocht hij zijn aanvallers op. De volgende ochtend klopte haar vader hem lachend op de schouder en deelde zijn gerstewijn.
Nu Naäma veertien was, werd de schaduw over de vlakte alleen maar zwaarder. Een van de mannen die haar als kind al had gekweld, wachtte haar op bij de graanvelden. Hij greep haar vast. Met een ruk en haar nagels over zijn gezicht wist ze los te komen. Trillend rende ze de hut binnen, maar stootte de voorraadkruik om. Meel mengde zich met het natte leem. Haar vader bedacht zich niet. De veestok kwam hard neer.
Naäma vluchtte het huis uit. Exact op dat moment scheurde de hemel open. Het water viel in massieve kolommen neer.
Dagenlang bleef de regen vallen. De vlakte liep vol, de oogst en de voorraad gingen verloren en de honger klopte aan de deur. In de beklemmende ruimte van de hut sloeg de angst van haar ouders om in bijgeloof. Ze wezen naar Naäma. Zij was zwak, had de goden vertoornd; haar aanwezigheid bracht de vloed. Toen haar vader opnieuw naar de stok reikte, wendde ze zich om en rende het stormweer in.
Ze rende tot de rand van het ravijn. De rivier was een kolkende, zwarte massa geworden die ontwortelde bomen, puin van ingestorte huizen en de opgezwollen romp van een stier meesleurde. In de verte, op de helling van de berg, lag het grote houten vaartuig dat de oude bouwer met zijn zonen had getimmerd, de deuren gesloten, onbereikbaar.
De verzadigde grond onder de rotsrand gaf mee. Er was een scherp moment van ijskoude paniek toen het donkere water haar omsloot. Toen de stroom haar meenam, week de angst. De pijn van de slagen, de handen van de mannen, de kille blikken van haar ouders, het water waste het weg. Het voelde niet als verdrinken, maar als een deken. Naäma stopte met vechten, sloot haar ogen en gaf zich over.