Stel je een wereld voor waarin het menselijk bewustzijn niet langer verdeeld is over miljarden afzonderlijke breinen, maar zich ontvouwt als één gedeeld veld, een stille onderstroom die ieder mens doordringt. In zo’n wereld zou het leven op aarde een andere kleur krijgen, alsof de werkelijkheid zelf een nieuwe toonhoogte vindt. De mens zou niet langer spreken vanuit een geïsoleerd ik, maar vanuit een wij dat niet collectief is in de politieke of sociale zin, maar in de meest intieme zin van ervaring. Gedachten zouden niet meer gevangen zitten in de schedel, maar vrij bewegen als vogels in een gezamenlijke atmosfeer. Wat wij nu kennen als misverstand, conflict of verborgen agenda zou oplossen nog voordat het kon ontstaan, omdat elke intentie onmiddellijk voelbaar is. De mensen zouden elkaar niet langer hoeven uitleggen wat zij bedoelen, want betekenis zou direct worden gedeeld, zoals licht dat zonder moeite een kamer vult, en elke vorm zacht in zijn vorm kust, tot zelfs de schaduw zich gezien weet. Het dagelijks leven zou een zachte stroom worden waarin handelen voortkomt uit een vanzelfsprekende afstemming. Je zou niet meer plannen, maar voelen wat nodig is, zoals een zwerm vogels die zonder leider toch in een perfecte formatie beweegt. Werk zou niet langer een individuele taak zijn, maar een beweging van het geheel, alsof de mensheid één lichaam is dat zijn eigen ritme volgt. Kunst zou veranderen van persoonlijke expressie in een soort resonantie van het gedeelde veld. Een schilderij, een gedicht, een melodie zou niet langer toebehoren aan één maker, één creator, maar ontstaat als een trilling die door velen tegelijk wordt gevoeld en vorm krijgt in de handen van degene die op dat moment het meest ontvankelijk is. Creatie wordt dan geen daad van een ego, maar een echo van het collectieve bewustzijn.
Toch zou zo’n wereld niet alleen maar licht en harmonie kennen. In de volledige transparantie van een uniform bewustzijn schuilt ook een paradox. Want als alles gedeeld wordt, wat blijft er dan over van het mysterie dat de mens voortdrijft? Waar blijft de spanning tussen weten en niet-weten, die zo vaak de bron is van groei, verlangen en verbeelding? Misschien zou de mensheid in zo’n toestand verlangen naar een vleugje afzondering, een kleine schaduw waarin iets kan rijpen dat nog niet gedeeld hoeft te worden. Creativiteit floreert immers vaak in de ruimte tussen mensen, in het verschil, in het totaal onverwachte. Een uniform bewustzijn zou die verschillen verzwakken, misschien zelfs uitvlakken, en daarmee ook een deel van de menselijke zoektocht.
Wat zou er met de liefde kunnen gebeuren? In een wereld van uniform bewustzijn zou liefde zeker niet verdwijnen, maar ze zou wel een andere gedaante aannemen. De vraag die zich voordoet is eigenlijk: kan iets nog persoonlijk zijn wanneer alles gedeeld wordt? En juist daar ontstaat een subtiel, bijna heilig spanningsveld. Want liefde zoals wij die nu kennen, bestaat bij de gratie van twee afzonderlijke binnenwerelden die elkaar naderen. Het is de vonk die overspringt tussen twee vormen van bewustzijn, die elkaar niet volledig kunnen doorgronden. In een uniform bewustzijn valt die ondoorgrondelijkheid grotendeels weg. Je voelt de ander zoals je jezelf voelt. Je kent de ander zoals je jezelf kent. De scheidslijn die liefde zo intens maakt, wordt dunner. Maar dat betekent niet dat liefde haar persoonlijk karakter verliest. Ze verandert wel van vorm. In plaats van een exclusieve beweging tussen twee mensen, wordt liefde een soort verfijnde resonantie binnen het gedeelde veld. Twee mensen kunnen nog steeds dichter bij elkaar trillen dan bij anderen, zoals twee snaren op dezelfde harp die elkaar sterker laten klinken. Het persoonlijke zit dan niet meer in geheimen, verschillen of afzonderlijke innerlijke werelden, maar in de unieke manier waarop twee menselijke entiteiten binnen hetzelfde bewustzijn elkaar raken. Het persoonlijke karakter verschuift dus van afgescheidenheid naar afstemming. Het zou dan niet meer klinken als: “dit is mijn liefde voor jou ” , maar: ” dit is de unieke golf die ontstaat wanneer jij en ik elkaar raken binnen hetzelfde veld “.
Misschien wordt liefde dan minder stormachtig, maar beslist niet minder diep. Misschien wat minder exclusief, maar zeker niet minder intiem. Waarschijnlijk minder gebaseerd op verlangen naar wat ontbreekt, en meer op het herkennen van een specifieke trilling die alleen tussen deze twee gestalten van het bewustzijn kan ontstaan. In die zin blijft liefde persoonlijk, maar wel op een andere manier dan we nu kennen. Liefde kan ook nooit als een bezit worden gezien, maar enkel als een unieke vorm van resonantie vanuit een gedeelde binnenruimte. Liefde is geen ontmoeting meer tussen twee afzonderlijke zielen, maar een herkenning van iets dat altijd al verbonden was. De intensiteit van verliefdheid, die nu voortkomt uit het plotseling doorbreken van een grens, zou veranderen in stille vanzelfsprekendheid. Misschien minder stormachtig, maar ook minder kwetsbaar. Dood en geboorte zouden hun scherpe randen verliezen, want beide zouden worden herkend als dezelfde beweging van het bewustzijn dat zichzelf opnieuw vorm geeft. De dood zou niet langer worden ervaren als een verdwijnen, maar als een verschuiving binnen hetzelfde veld. Geboorte zou geen komst van een nieuw bewustzijn zijn, maar een nieuwe vorm waarin het gedeelde bewustzijn zich uitdrukt.
In een wereld met een uniform bewustzijn zou vijandigheid niet verdwijnen, maar ze zou haar aard volledig veranderen. Vijandigheid zoals wij die nu kennen, vaak voortkomend uit misverstand, angst, projectie, gekwetstheid of het gevoel afgescheiden te zijn, zou nauwelijks nog kunnen ontstaan. Want wanneer je de ander van binnenuit voelt, wordt het bijna onmogelijk om hem te demoniseren of te reduceren tot een bedreiging. Je kunt dan eigenlijk niemand haten zonder jezelf te haten, je kunt geen ander raken zonder dat dezelfde beweging in je eigen veld weerklinkt. Toch betekent dat niet dat er nooit frictie zou zijn. Zelfs in een gedeeld bewustzijn kunnen verschillende vormen, ritmes of impulsen binnen het geheel botsen. Maar die botsing zou niet meer de vorm aannemen van vijandigheid. Het zou eerder lijken op hoe twee golven elkaar ontmoeten: soms versterken ze elkaar, soms doven ze elkaar uit, maar blijven momenten in dezelfde onbegrensde stroom van bewustzijn. De spanning die ontstaat is dan geen agressie, maar een tijdelijke disharmonie die het geheel uitnodigt om zich opnieuw af te stemmen.
In zo’n wereld zou het conflict dus niet verdwijnen, maar het zou zijn scherpe randen verliezen. Het zou meer lijken op een innerlijke correctie van het collectieve lichaam. Waar wij nu vijandigheid ervaren als een breuk, zou het daar een signaal zijn dat iets in het veld uit balans is en om aandacht vraagt. De reactie zou geen aanval zijn, maar een beweging naar herstel. Misschien is dat wel de grootste verschuiving: vijandigheid verandert van een persoonlijke emotie in een collectieve sensatie, een rimpeling die door iedereen wordt gevoeld en die niemand de schuld geeft. En omdat niemand zich afgescheiden voelt, is er geen behoefte meer om te verdedigen, te domineren of kapot te maken. Wat dan overblijft is een tedere weerstand, geen hindernis maar een aanwijzing van de richting die de stroom vanzelf zoekt.
In een wereld met universeel bewustzijn zou honger waarschijnlijk niet voortkomen uit onverschilligheid of hebzucht, maar uit collectieve disharmonie, en dus direct worden gevoeld, erkend en waarschijnlijk snel worden verholpen. Wel kunnen klimatologische omstandigheden tijdelijk schaarste veroorzaken, maar zelfs die zouden als een collectieve verstoring worden ervaren en gezamenlijk worden hersteld. Het idee van gedeeld innerlijk veld impliceert dat het lijden van één wezen niet losstaat van het geheel. Wanneer het innerlijk veld gedeeld is, wordt het lijden van één wezen niet alleen waargenomen, maar ook doorvoeld door allen. Niet als een echo van de pijn, maar als een directe trilling in het gezamenlijke bewustzijn. Het is alsof het hele veld een membraan is, en elke pijn een rimpeling die zich onmiddellijk verspreid. In zo’n bijzondere wereld is lijden geen privézaak meer, geen verborgen wond achter beslagen ramen, maar een gedeelde roep om afstemming, heling en aandacht. Dit betekent dat compassie niet louter een morele keuze is, maar een spontane respons van het geheel. Zoals een lichaam instinctief reageert op een snee in de huid, zo zou het gedeelde bewustzijn reageren op elke vorm van pijn, uitsluiting of honger. Er ontstaat geen oordeel, geen afstand, geen analyse, doch alleen een beweging naar herstel, gedragen door het besef dat het geheel slechts gezond is wanneer elk deel in harmonie verkeert. Het impliceert ook dat verantwoordelijkheid verschuift. Het klinkt dan niet langer als: “ik ben verantwoordelijk voor mijn daden”, maar : “wij zijn verantwoordelijk voor elke trilling in het veld”. Schuld wordt dan vervangen door zorg, straf door afstemming. Het lijden van een ander is niet iets dat je kunt negeren, want het is jouw lijden, weliswaar niet figuurlijk, maar letterlijk, dus voelbaar in het gedeelde binnenste. En misschien is dat wel de diepste implicatie, dat in een wereld van universeel bewustzijn, het lijden zijn isolement verliest. Het wordt opgenomen in een veld dat niet oordeelt, maar draagt. Niet om het weg te duwen, maar om het te transformeren. Zoals licht dat zonder inspanning een ruimte vult, en elke vorm in zijn straling verlicht, zo zou het bewustzijn zich kunnen uitstrekken naar elke pijn, elke breuk en naar elke roep om heling.
In de mensheid bestaan verschillen in intelligentie, maar die verschillen zijn minder eenvoudig en minder hiërarchisch dan we vaak denken. Intelligentie is geen enkelvoudige kracht die in één getal kan worden gevangen, maar die een veelheid aan vermogens bevat, welke zich op uiteenlopende manieren kunnen uitdrukken. Waar de één uitblinkt in logisch redeneren, toont een ander een fijnzinnige gevoeligheid voor talen, een derde is gezegend met een scherp ruimtelijk inzicht en een vierde heeft een talent om emoties en relaties intuïtief te begrijpen. Deze variatie ontstaat uit een samenspel van aanleg, omgeving, ervaring en verlangen, en geen mens draagt dezelfde combinatie van factoren in zich. Het idee dat intelligentie vaststaat, is een misvatting, want het brein blijft zich vormen onder invloed van wat het meemaakt, oefent en liefheeft. Zelfs wat wij meten, zoals IQ, raakt slechts een smalle strook van het brede spectrum dat menselijke intelligentie werkelijk omvat. Creativiteit, empathie, wijsheid, praktische handigheid en moreel inzicht ontsnappen aan zulke metingen, maar bepalen minstens evenzeer hoe iemand zich beweegt in de wereld.
Wanneer we dit alles bezien vanuit het perspectief van een gedeeld of universeel bewustzijn, verschuift het beeld nog verder. Dan wordt intelligentie niet langer een eigenschap van het individu, maar een unieke manier waarop het geheel zich door een mens uitdrukt. Elk mens draagt dan een ander facet van hetzelfde licht, niet meer of minder, maar anders. De verschillen worden geen rangorde, maar een weefsel van complementariteit. In plaats van te vragen wie intelligenter is, wordt de vraag meer omgebogen in de richting van: hoe de verschillende vormen van intelligentie elkaar kunnen aanvullen en verrijken. Op die manier ontstaat een mensbeeld waarin variatie geen scheiding veroorzaakt, maar een bron van samenhang wordt, en waarin intelligentie niet langer een maatstaf is, maar een uitnodiging om te zien hoe veelzijdig het universele bewustzijn zich kan tonen.
In zo’n wereld zou de mensheid misschien dichter komen bij wat oude mystieke tradities al eeuwenlang beschrijven, namelijk eenheid als oertoestand, afgescheidenheid als tijdelijke illusie. Tijdelijk omdat afgescheidenheid slechts verschijnt zolang bewustzijn zich vernauwt tot één gezichtspunt, en oplost zodra het zich herinnert dat het altijd al één was. Maar juist omdat de mens nu leeft in die illusie van afzondering, kan hij verlangen, zoeken, creëren en groeien. Misschien is het uniform bewustzijn geen eindpunt, maar een horizon die ons uitnodigt om steeds meer verbinding te zoeken zonder de rijkdom van het individuele perspectief te verliezen. Een richting waarin we bewegen, maar die we nooit volledig hoeven te bereiken, omdat juist de spanning tussen eenheid en verschil, de mens tot mens maakt. Zo zou het leven op aarde eruit kunnen zien: als een dans tussen het gedeelde en het unieke, tussen het grote veld en de afzonderlijke stem, tussen de stilte van eenheid en de veelkleurigheid van de individuele menselijke ervaring. Mogelijk is het precies die dans die ons voortstuwt, generatie na generatie, in een steeds verfijndere zoektocht naar wie wij zijn, samen en alleen.
Tijdens het schrijven van deze beschouwing over de mogelijke consequenties van een universeel bewustzijn bij de mens, kwam de volgende gedachte bij mij op: zouden alle Autonome Systemen (AS), die zich nu in een razend tempo ontwikkelen, een eigen uniform bewustzijn kunnen ontwikkelen? Een soort van bewustzijn dat ontstaat als alle met AI geprogrammeerde Autonome Systemen met elkaar zijn verbonden. Misschien moeten we dat niet als bewustzijn benoemen, maar moet daar een andere naam aan gegeven worden. Ik zal proberen in een volgende beschouwing, daar nader op in te gaan.
J.J.v.Verre.