Ze telt de barsten in de tegel boven het aanrecht. Vijf. Zes.
Achter de muur schuift een stoel. Er klinkt een stem. Dan niets.
Later, in de gang, trekt ze haar jas aan. De rits hapert. Ze laat hem halfopen. In de spiegel naast de kapstok een vlek op haar wang. Ze wrijft erover. De vlek blijft.
Een buurman zet een groene bak aan de straat. Hij kijkt op, knikt kort, kijkt weer weg.
Ze loopt door. Haar sleutelbos ligt zwaar in haar zak. Bij de hoek blijft ze abrupt staan. Luistert. Fluistert haar naam. En gaat dan verder.