Ik glijd op een houten slee de besneeuwde dijk af. Hij kijkt me na met een sigaret tussen zijn vingers. Op zijn hoofd heeft hij een pet. Ik breng de foto dichter bij mijn ogen. Zijn mond staat open. Witte adem. Wat roept hij? Pas op. Niet te hard.
De man die me grootbracht.
De witte rand van de foto is gekarteld. Rechts ontbreekt een stukje lucht.
Op de achtergrond is de kleuterschool nog te zien. Die bestaat niet meer. Net als de afgegraven dijk trouwens.
Ik leg de foto op tafel, waar hij licht omhoog krult. Mijn koffie is koud geworden. Ik kijk uit het raam. Geen sneeuw, alleen nat asfalt.
Ik kijk nog één keer naar zijn gezicht en schuif de foto terug in het album. Niet op zijn oude plek maar tussen twee lege bladen.