‘Ik heet Koen,’ zei hij.
‘Ik heet Patrick,’ zei ik. ‘Aangenaam.’
Kut, hij heeft manieren, dacht ik.
Hij omhelsde me. Ik verstijfde.
‘Leuk je ontmoet te hebben, Patrick. Fijne reis,’ zei hij.
‘Fijne reis,’ zei ik terug.
Kut. Waarom bood ik hem dat tweede glas water niet aan?