Het was stil op het plein tussen de hoge gebouwen. De regen was gestopt, maar de stenen glommen nog in het lantaarnlicht. Een verloren fietser reed vlak langs me heen. Toen zijn contouren in de verte vervaagden, was ik geheel alleen. Alleen het geruis van auto’s op de snelweg en het klapperende dansen van de draden aan de vlaggenmasten verbraken de stilte.
Plotseling overviel mij een unheimisch gevoel: een onbestemde angst die zich bij elke stap versterkte, zonder dat ik wist waarom. Ik bleef staan, alsof de lucht zelf mij had vastgegrepen.
Het plein leek groter te worden, uit te dijen als een long die zich vulde met iets wat geen zuurstof was. De hoge gebouwen boden geen bescherming meer; integendeel, zij leken mij te bedreigen met instorten of met het loslaten van zware stenen. Ze stonden daar als zwijgende wachters die een geheim bewaarden waarvan alleen de directeur van een verlaten gevangenis de betekenis kende.
Toen veranderde het licht. Niet feller, niet zwakker, maar anders — alsof een onzichtbare hand de kleurtemperatuur had verschoven. De schaduwen van de vlaggenmasten trokken zich terug als dieren die zich verscholen voor iets wat naderde.
Mijn pas versnelde zonder dat ik dat bewust besloot. De beklemming kroop langs mijn ruggengraat omhoog. Er was geen geluid, geen beweging, en toch voelde ik een aanwezigheid: iets dat mij gadesloeg vanuit een hoek waar geen mens kon staan.
Toen hoorde ik het.
Een zacht, ritmisch tikken.
Niet mechanisch, maar ook niet menselijk.
Het kwam van achter een van de gebouwen, precies uit de richting waarin de fietser was verdwenen. Het hield even op, alsof het luisterde, en begon toen opnieuw — sneller, dringender.
Ik wist dat ik moest kiezen: blijven staan op het glimmende plein of de duisternis ingaan waar het geluid vandaan kwam. Ik koos ervoor het te volgen, al voelde het alsof die keuze niet helemaal de mijne was.
Het tikken leidde mij naar een smalle doorgang tussen twee gebouwen, een spleet van schaduw waar het lantaarnlicht niet durfde binnen te dringen.
Toen ik de hoek omging, merkte ik dat de lucht daar anders rook: kouder, alsof ergens een deur naar een immense vriescel was geopend. Het tikken klonk nu duidelijker, maar had iets vreemds. Het leek niet langer een geluid dat werd gemaakt, maar een geluid dat eenvoudigweg gebeurde, zoals regen zonder wolken of wind zonder richting.
Ik zag niets.
Toch voelde ik dat de ruimte niet leeg was. De lucht trilde, alsof de werkelijkheid daar dunner was geworden. De muren aan weerszijden leken hoger dan daarnet, alsof zij zich langzaam hadden uitgerekt.
Toen viel het mij op.
De schaduwen van mijn lichaam bewogen niet meer synchroon met mijn stappen. Ze bleven een fractie achter, als vertraagde echo’s van mijzelf. Eén ervan — de achterste — deed iets wat ik niet deed.
Heel subtiel.
Een lichte beweging van de arm.
Een nauwelijks waarneembare kanteling van het hoofd.
Het tikken stopte.
In de stilte hoorde ik mijn schaduw ademen.
Zij ademde opnieuw, dieper nu, alsof zij zich vulde met een lucht die ik zelf niet meer kon bereiken. Tegelijk voelde ik een vreemde lichtheid in mijn borst, alsof een knoop werd losgemaakt waarvan ik nooit had geweten dat hij bestond.
De doorgang leek zich te verwijden. Niet letterlijk, maar in betekenis. De ruimte werd een herinnering, een gedachte, een plek waar de wereld zich niet langer aan haar eigen wetten hield.
De stenen onder mijn voeten voelden warm, alsof zij kort tevoren nog door zonlicht waren verwarmd, terwijl de lucht koel bleef.
Het tikken begon zich te gedragen als een ritme dat ik kende. Niet uit mijn wakkere bestaan, maar uit een droom waarvan ik altijd had gedacht dat hij betekenisloos was.
Het was het ritme van een hart dat niet het mijne was, en toch in mij klopte.
Mijn schaduw bewoog opnieuw.
Langzaam.
Alsof zij zich bewust was van mijn aandacht.
Haar contouren waren niet langer scherp. Zij leek te bestaan uit vloeibare duisternis, uit een inkt die zichzelf voortdurend herschikte.
Toen sprak zij.
Niet met woorden, maar met een beweging die als een gedachte in mij opsteeg.
Je bent niet alleen omdat je hier bent. Je bent alleen omdat je jezelf hier hebt achtergelaten.
De zin was niet hoorbaar, maar voelbaar: een trilling in mijn ribben, een echo achter mijn voorhoofd, een wee gevoel diep in mijn buik. Ik wist niet of het een waarschuwing was, een uitnodiging of een herinnering aan iets wat ik lang geleden had weggestopt.
De lucht begon te glinsteren, alsof er stofdeeltjes zweefden die licht gaven zonder bron. De gebouwen leken zich te buigen, niet naar mij toe, maar naar iets achter mij.
Iets wat nog niet zichtbaar was, maar de ruimte al vulde.
Ik draaide mij langzaam om. Niet uit angst, maar vanuit een vreemd vertrouwen, alsof de wereld mij eindelijk iets wilde tonen wat ik altijd had vermeden.
Daar, op het glimmende plein dat ik zojuist had verlaten, stond een figuur.
Niet menselijk.
Niet schimmig.
Maar precies op de grens van herkenning.
Alsof het was gevormd uit alles wat ik ooit had willen vergeten.
De figuur bewoog niet. Toch leek hij dichterbij te komen, alsof afstand geen eigenschap van ruimte meer was, maar van aandacht. Zijn contouren bestonden uit herinneringen: flarden van kamers waarin ik ooit had gestaan, stemmen die ik nooit had uitgesproken, de geur van natte aarde na een zomerstorm.
Toen ik een stap zette, golfde de lucht om hem heen als water.
Mijn schaduw trok zich samen, alsof zij zich voorbereidde op een ontmoeting die mijn verstand niet kon bevatten.
De figuur hief zijn hoofd.
In dat eenvoudige gebaar lag geen dreiging, maar een diepe mildheid, alsof hij mij wilde laten zien dat angst slechts een vorm van onbegrip is.
Zijn gezicht had geen kenmerken.
En toch herkende ik het.
Niet als iemand die ik kende, maar als een mogelijkheid die ik ooit had kunnen worden.
De wereld begon zacht te kantelen. De gebouwen bogen zich naar binnen alsof zij wilden luisteren. De vlaggenmasten wiegden in een wind die nergens anders bestond.
Het plein werd een spiegel.
Niet van licht.
Maar van innerlijke beweging.
De figuur sprak, zonder mond, zonder stem.
Je bent niet verdwaald. Je bent aan het terugkeren naar iets wat je nooit hebt durven betreden.
De woorden vielen niet in mijn oren, maar in mijn borstkas, waar zij zich nestelden als kleine warme vonken.
Ik voelde hoe de unheimische spanning oploste. Niet omdat het gevaar verdween, maar omdat ik begreep dat het nooit buiten mij had gelegen.
Mijn schaduw liep naar voren en versmolt langzaam met mijn voeten, mijn armen, mijn borst en uiteindelijk met mijn adem.
Het voelde alsof een verloren deel van mijzelf eindelijk was teruggekeerd.
De figuur glansde nog eenmaal en vervaagde vervolgens in de ruimte, als ochtendmist die oplost voordat de zon zichtbaar wordt.
Ik stond weer alleen op het plein.
Maar de stilte was veranderd.
Ruimer.
Alsof de wereld een fractie dieper was geworden.
En ik met haar.
Beschouwing
De filosofie achter deze beschouwing laat zich nooit volledig ontrafelen. In de ontmoeting met de figuur op het plein — een gestalte gevormd uit vergeten mogelijkheden — ontvouwt zich een stille waarheid: het onbekende bevindt zich niet buiten ons, maar op de grens waar wij onszelf niet langer durven volgen.
Het surrealistische landschap, waarin schaduwen ademen en gebouwen lijken te luisteren, vormt geen afwijking van de werkelijkheid, maar een verdichting ervan. Angst blijkt daarin niet zozeer een teken van gevaar als wel de contour van iets dat nog geen naam heeft gekregen: een innerlijke ruimte die wacht om betreden te worden.Â
Wanneer de schaduw terugkeert en de figuur oplost, verdwijnt het vreemde niet omdat het is overwonnen, maar omdat het is herkend. Zo openbaart het plein zich uiteindelijk als een doorgang: een plek waar de werkelijkheid even dieper wordt en waar iedere terugkeer naar onszelf onvermijdelijk door het onbekende voert. Misschien is het unheimische niets anders dan het ogenblik waarop een vergeten deel van onszelf ons uiteindelijk tegemoet treedt.
J.J.v.Verre.