Een manuscript
(Dagboekfragment)
“John Thomas geeft mij de eerste dag twee manuscripten, waarover hij reeds een beslissing heeft genomen. Ik begrijp dat het een eerste test is. Voor het overige wil hij me een aantal zaken uitleggen, en krijg ik wat mappen die ik door moet werken.
Het eerste manuscript dat ik onder handen krijg, is dat van een jonge vrouw, die werkt onder de schuilnaam Esther Berendt. Haar werkelijke naam wordt overigens niet vermeld. Het is een autobiografie, vermengd met fictie. Al na twee pagina’s weet ik genoeg. Het verhaal is aandoenlijk slecht geschreven, met teveel vergezochte vergelijkingen. ‘Zijn hand lag op mijn been als een knuffel op een vuilnisbelt’ of ‘Ze liet haar hoofd door de hals van het shirt glijden als een auto die een garage binnenrijdt’, en tenenkrommende zinnen als ‘het laat zich raden dat niemand zich pas gaf van het feit dat ik een halfuur later gekomen was dan men van plan was’, of ‘hij liet me duidelijk naar zijn poppetjes dansen’.
Ik overleg kort met John die me goedkeurend toeknikt.
“Het is op zich een verhaal dat voldoende in zich heeft om zich aan een groter publiek te manifesteren,” oreert hij. “Taalkundig is het echter zeer zwak. Het wemelt in de eerste plaats van de taal- en stijlfouten, er zitten wat onlogische wendingen in het verhaal en de man aan het einde is een weergaloze deus ex machina. Afschuwelijk en vergezocht, net als de vergelijkingen die je noemde. Kortom, schrijf een vriendelijk briefje, zonder overigens te vervallen in het onpersoonlijke jargon waarmee uitgeverijen manuscripten doorgaans afwijzen.”
Hij neemt een grote slok gitzwarte koffie. Ik heb al twee dagen geen druppel alcohol meer gedronken en voel me verlaten en leeg.
“Wat heeft het wel volgens jou?” vraag ik, terwijl ik een sigaret opsteek.
“Niets.”
“Maar je zei net dat het voldoende in zich heeft om…”
“Ja zo. Mits goed verteld, is een verhaal rond een schrijnend eenzaam persoon, vermengd met een gezonde portie seks…”
“John, alsjeblieft. Seks?”
“Haar verhouding met die onderwereldkoning zal toch niet platonisch geweest zijn?”
“Ik neem aan van niet, maar ze schrijft er niet over. Waarom noem je het dan?”
“Seks verkoopt, lieve Lynda.”
“Ja en? Had je wel uit willen geven als Esther Berendt zich had gewaagd aan tedere erotische passages?”
“Mits goed geschreven. Nee, maar zonder gekheid. Het verhaal van een vrouw als Berendt, voor zover autobiografisch, van haar eenzaamheid, haar gedwongen eenzaamheid bijna, gecombineerd met die stormachtige relatie en de uiteindelijke val, is genoeg stof voor een mooie roman. Het probleem is gewoon dat mevrouw Berendt niet gehinderd wordt door enig schrijftalent.”
“Goed, ik zal haar schrijven.”
Het tweede manuscript is van een wat oudere man. Hij is in de geschiedenis gedoken van een volkomen vergeten groep jonge muzikanten, die luisterde naar de naam Mundane.
Mundane was actief vanaf november 1958, en bestond tot 1964. Zij maakten slechts een langspeelplaat, die werd uitgebracht bij Munich, onder de titel Well you needn’t. De plaat kwam uit in het najaar van 1961, maar bleef vrijwel onopgemerkt. Onterecht, vindt de schrijver. Well you needn’t heeft beslist onvermoede kwaliteiten. Mundane combineerde op knappe wijze de ritmes van de jazz met die van de rock ’n roll, doch afficheerde zichzelf als een echte jazzformatie.
In 1962 en 1963 toerde de groep met lange tussenpozen door het land, met wisselend succes. Het meest succesvolle optreden met zo’n 3000 bezoekers vond plaats in de lente van 1963, in een sporthal in het zuiden, waar vooral de niet onknappe vrouwelijke drummer van de band op veel bijval kon rekenen. De schrijver van een hilarisch krantenartikel roemde de inventiviteit van Mundane, en voorspelde hen een gouden toekomst.
Een uitgebrachte single, Foul copy, in de late zomer van 1963, bleef onopgemerkt. Merkwaardigerwijs was deze track niet te vinden op Well you needn’t, maar werd alleen uitgebracht als single. De schrijver heeft niet kunnen achterhalen of Foul copy op de tweede langspeler zou verschijnen.
Die tweede plaat, A handle to one’s name is in de opnamefase blijven steken, vanwege de onverwachte dood van de leider van het gezelschap, die zich Monk noemde. De plaat zou begin 1965 uitkomen, maar de dood van Monk in oktober 1964 betekende het einde van de groep. Men ging uit elkaar, vond werk en trouwde, en Mundane raakte in korte tijd in de vergetelheid.
Ik had nooit van Mundane gehoord, en ook Thomas bekende dat de groep hem volslagen onbekend was.
“En wat vind je ervan?”
“Ik heb het nog niet uit.”
“Maar tot nu toe?”
“Hm. De schrijver, hoe heet hij, heeft nou niet bepaald een stijl om over naar huis te gillen. Aan de andere kant, wat hij allemaal heeft opgediept uit vergeten archieven en zo. Het is, alweer mits goed geschreven, een buitengewoon interessant gegeven vind ik.”
“Ik ben het met je eens, al benoem ik je kwalificatie van zijn schrijfstijl direct tot het understatement van het jaar.”
“En wat nu. Een ghostwriter inschakelen?”
“Ik wil er nog eens over denken. Ergens zie ik er wel brood in, maar wie kent Mundane nog? Anders gezegd, wie heeft belang bij een dergelijk boek? Misschien is een artikel in een weekblad ook een optie zeg maar.”
“Vind ik niet. Ik denk dat de informatie zo interessant is, dat een boek zeker gerechtvaardigd is. Juist het uitbrengen ervan zal bij velen nostalgische herinneringen oproepen, en wellicht zelfs leiden tot het opnieuw uitbrengen van de muziek. Wat te denken van de opnames van de tweede plaat, die nooit verschenen zijn? Dit kan een prachtig tijdsdocument zijn, John. Alleen al de foto’s zijn goud waard. De man heeft een enorme vracht aan foto’s en anekdotes opgediept. Hij moet er jaren werk aan gehad hebben. Ik denk dat we hem een kans moeten geven. Alleen zullen we dan iemand moeten vinden die de hele boel kan herschrijven, in nauwe samenwerking met de schrijver. Wat denk je ervan?”
“Ik wil dit even laten bezinken als je het niet erg vindt.”
Een dag of wat later wordt er een pakketje bezorgd door een wat oudere man, een vriendelijke stadsgenoot die na het weekend op de vroege maandagochtend zijn wandeling maakt. Hij draagt een blauwe regenjas. Zijn bril is beslagen.
“Ik vond dit pakket op de rand van de fontein, even verderop. Voor wie dit uit wil geven, staat erop, en ik wist dat jullie hier zitten, dus…”
Ik bied hem een kop koffie aan. De praatgrage man neemt het ervan, terwijl ik ernaar snak om het pakket te openen. Het heeft ongeveer de dikte van een pak printerpapier, en het geheel is omwikkeld met bruin pakpapier en heel veel tape. Uiteindelijk kan ik hem duidelijk maken dat ik druk ben, en de man verdwijnt de stad in.
Het kost enige moeite om het pakket open te krijgen. Het is zeer dik ingepakt en er is minstens een rol tape bij gebruikt. Een scherp aardappelschilmesje biedt uiteindelijk uitkomst. De bundel bevat een stapel geprinte vellen, Times punt 12 zie ik snel. De eerste pagina bevat een korte inleiding, ondertekend met de naam Carmen Winkels. Dan volgde een aantal korte verhalen. Het eerste verhaal vond ik dermate boeiend dat ik besloot om uit te zoeken wie deze dame Winkels was, en waar zij woonde. Ik lees:
—
“De tweelingbruggen van Straznyck
Iedereen kent het verhaal van de witte tweelingbruggen van Straznyck. Het romantische verhaal over de twee rijke doch naamloze geliefden die elk aan weerszijden van de rivier woonden en de oude houten brug lieten vervangen door twee exact dezelfde bruggen gaat erin als zoete koek, maar doet geen recht aan de geschiedenis. Het verhaal, dat tot leven is gewekt door dromerige zielen, heeft geen enkele relatie met de werkelijkheid – die maar al te vaak weinig romantiek kent.
Straznyck ontstond ergens aan het begin van de veertiende eeuw, toen enkele waaghalzen het weinig vruchtbare laaggebergte in de noordelijke streken verlieten en de bijna 1900 mijl door woest en leeg land naar het zuiden trotseerden, om zich daar te vestigen in het vruchtbare laagland langs de grens, aan de rivier de Og. Straznyck begon met enkele kleine houten huizen, maar groeide in relatief korte tijd uit tot een bloeiend stadje aan weerszijden van de Og.
Op het moment van schrijven wonen er iets meer dan 15000 mensen in het stadje. Vrijwel niemand kent de ware geschiedenis van de Witte Tweelingbruggen, die in de zomermaanden druk worden bezocht door duizenden toeristen uit heel Europa; de wat geheimzinnige, licht vervuilde witte bruggen, die sierlijk en toch licht barok de twee oevers met elkaar verbinden: het oudste, zuidelijke gedeelte, waar het stadscentrum zich bevindt, en het wat nieuwere, noordelijke gedeelte.
In de zomer van 1903, toen Europa nog welvarend en rustig was, volkomen onwetend van het onheil dat de mensheid wachtte, bleek de oude, houten brug niet meer te voldoen. Een deel van de brug aan de noordkant zakte in de vroege avond van 28 juni in. Het houtwerk bleek totaal verrot. Er werd inderhaast een noodbrug getimmerd door de plaatselijke timmerman, maar er gingen steeds meer stemmen op voor een permanente en meer solide oeververbinding, die de tand des tijds wat beter zou doorstaan.
In het op dat moment enige plaatselijke medium, de Og Bilz, deed de burgemeester een oproep aan deskundigen om een ontwerp in te dienen. Twee weken later werd er een grote bouwtekening bezorgd op het stadhuis. De afzender was ene Húbeny, een architect met een merkwaardige reputatie: zijn ontwerpen waren geniaal maar vaak onuitvoerbaar volgens de toenmalige kennis, en bovendien was de man een notoir innemer van allerlei spiritualiën, hetgeen hem tot een onbetrouwbare partner maakte.
De niet zo beste reputatie van Húbeny, die er tot overmaat van ramp ook nog eens een nogal vrijgevochten huwelijksleven op nahield, sloeg echter om in welgemeende sympathie toen de man drie dagen na het indienen van zijn ontwerp dood werd aangetroffen langs de oever van de Og, ter hoogte van het eeuwenoude restaurant Nadvlou Og Braga.
Enkele dagen later werd de architect onder grote belangstelling begraven. Het ontwerp van de brug, maar ook de brug zelf raakte enige tijd in de vergetelheid. De provisorisch herstelde houten brug hield zich prima, en de roep om een nieuwe, solide brug verstomde. Totdat er in de lente van 1905 een meisje van 7 door een plank zakte en verdronk. Het meisje, de enige dochter van een vooraanstaande gemeenteambtenaar was een zeer geliefd en veelbelovend kind. Haar ouders waren ontroostbaar en verdwenen uit Straznyck.
Hier dient vermeld dat er van oudsher een lichte rivaliteit heerste tussen het oude zuiden en het nieuwere noorden. In het oude zuidelijke gedeelte was alles gevestigd. De burgemeester had er zijn woning en zijn kantoren, samen met zijn ambtenaren. Ook de politie was er gevestigd, naast een groot aantal plaatselijke verenigingen.
De architect Húbeny was afkomstig uit het oude zuiden, en de respons op een tweede oproep van de burgemeester leverde wederom een reactie uit het zuiden op, van de beginnende architect en waterbouwkundige Húron, een man van 42 jaar. Om de vrede te bewaren deed de burgemeester nogmaals een oproep, nu speciaal tot de noorderlingen aan de andere kant van de Og gericht. Het bleef enkele dagen stil, maar toen kwam er een reactie. Ene Tockzym zond een korte brief, die de burgemeester verblijdde; alleen al vanwege het feit dat Tockzym in het noorden woonde.
De burgemeester nodigde beide heren uit op het stadhuis, maar Tockzym gaf te kennen dat hij verhinderd was en later in de week zou komen. Húron verscheen keurig op de afgesproken tijd bij de burgemeester, had een onderhoud van iets meer dan een uur met hem en vertrok met een tevreden gevoel. Twee dagen later verscheen ook Tockzym vroeg in de middag bij het stadhuis. Ook hij onderhield zich ongeveer een uur met de burgervader, en vertrok halverwege de middag met een voldaan gevoel naar het noordelijke deel van Straznyck – over de houten brug.
De beide heren kregen, onafhankelijk van elkaar, de opdracht met een gewaagd en vernieuwend ontwerp te komen, waarop de gemeenteraad de keuze zou maken welke van de twee ontwerpen het meest in de smaak zou vallen. De nieuwe brug moest het toerisme nieuw leven inblazen, dat was de onderliggende gedachte. Het bleef enkele maanden stil rond de beide ontwerpers.
Húron was het eerst met zijn ontwerp. In het vroege najaar van 1906 verscheen hij met enkele kartonnen kokers op het bordes van het stadhuis. Hij had zijn komst niet aangekondigd, maar dat bleek geen probleem. De burgemeester ontving hem, bezag kort de ontwerptekeningen en gaf te kennen dat hij tevreden was. Vanzelfsprekend wilde de burgemeester verder geen uitspraken doen; Tockzym moest zijn ontwerp nog indienen.
Een week later werd er een grote envelop op het gemeentehuis bezorgd. Het ontwerp van de architect uit het noordelijke stadsgedeelte was gearriveerd. De burgemeester bestudeerde het even en liet de twee ontwerpen direct op de agenda van de volgende gemeentevergadering zetten. Tijdens de vergadering werd duidelijk waarom de burgemeester er zo’n vaart achter zette: de twee ontwerpen vertoonden merkwaardige overeenkomsten.
De gehele gemeenteraad was zich bewust van het pijnlijke van dit alles. Wat zij ook zouden kiezen, het zou gegarandeerd voor problemen zorgen. De keuze voor de ene ontwerper zou het stadsdeel van de andere in opstand brengen en de aloude rivaliteit, die vaak goedmoedig was, tot gevaarlijke hoogten opstuwen. Een keuze van de gemeenteraad zou revolutie betekenen, dat was duidelijk.
De burgemeester nodigde beide heren uit, maar alleen Tockzym kwam opdagen. Húron meldde zich ziek. Toen de burgemeester het geval aan de architect voorlegde, reageerde deze zeer beheerst.
“Maak uw keuze, burgemeester. Wij zijn allebei beschaafde mensen, en ik verwacht eerlijk gezegd geen problemen. Maar, zo schiet mij nu te binnen, waarom laat u ons niet samenwerken?”
De burgemeester dacht enkele dagen na over dit voorstel. Het geval wilde dat het zuidelijke gedeelte van de stad twee wijken kende, die allebei werden doorsneden door een brede weg. Deze twee wegen kwamen ongeveer honderd meter van elkaar uit op de smallere weg langs de rivier. Het noordelijke gedeelte, aan de overkant van de rivier, was meer verdeeld en kende niet echt een centraal gedeelte. Dit stadsdeel kende een wat onduidelijke wegenstructuur, die onderhoud behoefde.
Aan het einde van diezelfde week verzond de burgemeester een brief aan de twee ontwerpers, met de opdracht samen twee bruggen te ontwerpen, die de stad zouden opluisteren, die zouden zorgen voor een toename van het toerisme. Een ontwerp dat Straznyck op de wereldkaart zou zetten met twee bruggen die zouden gaan behoren tot het werelderfgoed. Als dit werkelijk zou gebeuren, dan konden beide heren op een aanzienlijke bonus rekenen.
De twee gingen uiteraard akkoord, en de bruggen kwamen er. Twee identieke, majestueuze bouwwerken, op zo’n honderd meter van elkaar. Trots torenden zij boven de stad uit, spiegelden zich in het traag stromende water van de Og en lokten van heinde en verre de toeristen naar zich toe. Bij de feestelijke opening, in de zomer van 1910, kreeg de burgemeester voor het eerst het vreemde gevoel dat er iets niet klopte.
Tijdens het avondeten, dat hij nuttigde met zijn gezette echtgenote en zijn volwassen en eenzame zoon, sprak hij zijn twijfel uit.
“Dit alles geeft mij een vreemd gevoel. Het kwam vandaag voor het eerst in me op. Ik heb de twee ontwerpers nooit en te nimmer samen gezien. Vandaag was alleen Húron er, omdat Tockzym op de bruiloft van zijn dochter was. Het kan natuurlijk, maar het blijft vreemd. Maar ach, wellicht mogen zij elkaar niet echt en willen zij slechts professioneel contact hebben.”
Een overijverige gemeenteambtenaar, aan wie de burgemeester zijn twijfels uitsprak, nam contact op met een verslaggever van Og Bilz. Deze man, een wat gefrustreerde veertiger, ongehuwd en drankzuchtig – maar bijzonder erudiet – liet het er niet bij zitten en stelde een onderzoek in. Drie weken later werd de journalist dood aangetroffen in zijn bed. Een vriend was ongerust geworden toen de man niet verscheen op een afspraak. De doodsoorzaak bleef onbekend, maar een aantal zaken in en rond het huis van de verslaggever wees erop dat er iemand binnen was geweest die er niet hoorde.
De moord – want daar leek het toch wel op – kreeg een vreemde bijsmaak toen er de ochtend van de vondst een briefje werd bezorgd bij het gemeentehuis. Afzender: Sczyk, de dode verslaggever van Og Bilz. “Húron en Tockzym zijn een en dezelfde persoon: Egon Húzny, een kunstenaar en een meester in vermommingen. Hij woont in een buitenwijk van het noordelijke stadsgedeelte.” Het briefje vermeldde het complete adres. Toen de politie op last van de burgemeester naar het opgegeven adres trok om de man in te rekenen, bleek het huis verlaten.
Egon Húzny is nooit gevonden. Hij is zeer waarschijnlijk – rijk geworden als hij was – vertrokken naar elders, heeft een andere identiteit aangenomen en zijn dagen gesleten in rijkdom en zelfverkozen eenzaamheid. Zeker is dat echter niet; er is nooit ook maar een spoor van de man gevonden.
Recent is in een pijler van de westelijke brug de afdruk van een hand gevonden, met de initialen EH er in gekerfd.
Ondanks deze geschiedenis zal de romantisch ingestelde toerist zich blijven vastklampen aan dat andere, dromerige en sprookjesachtige verhaal van de twee geliefden, naamloos verdwenen in de geschiedenis – de twee geliefden die zo graag bij elkaar wilden zijn en twee identieke bruggen lieten bouwen, als verbeelding van hun eeuwige trouw, als een Romeo en Julia, de onmogelijke liefde tussen twee mensen van verschillende afkomst: noord en zuid, gescheiden door de immer trage Og.
Laat hen maar dromen, de jonge paartjes die op vroege zomeravonden innig gearmd naar het donkere water staren vanaf een van de bruggen, en de zon rood zien wegzinken aan de horizon, terwijl aan de kade de mandolines spelen op de talloze terrassen.
Egon Húzny is vergeten. Zelfs zijn laatste rustplaats is nooit gevonden. Er waren zelfs lange tijd twijfels over zijn bestaan. De recent gevonden handafdruk bewijst echter dat er ooit een man bestond die de gehele bevolking van dat kleine, slaperige stadje aan de Og voor de gek hield, die er niet voor terug schrok zijn tegenstanders te vermoorden, die vette bonussen opstreek en vertrok, met achterlating van een kleine handafdruk, vlak boven het water, op een van de pijlers van de westelijke brug.
Tot in lengte van jaren zal elke gids in Straznyck u het prachtige verhaal van die twee verliefde mensen vertellen, het verhaal dat zo onwaar is, maar zo mooi. Veel mooier in feite dan het verhaal van Húzny. Luister naar die gids, val hem niet in de rede, kom niet aan met het ware verhaal over de Tweelingbruggen van Straznyck, want niemand zal het willen horen. Kus uw geliefde in de avondzon, op een van de bruggen, in het besef dat uw liefde eeuwig is, en houd u vast aan dat prachtige verhaal. Het zal u goed doen.”
—
(Dagboekfragment)
Ik heb de naam Winkels al snel gevonden; hij komt zevenmaal voor in het plaatselijke telefoonboek. Ik zal elk nummer moeten bellen. Bij het derde nummer is het raak. Een schoonmaakster neemt op. Zij is aan het werk in het appartement van Carmen, die in een verpleeghuis blijkt te werken. Vanavond is zij thuis, zo wordt mij verzekerd door de vrouw.
Ik schat Carmen Winkels een paar jaar ouder dan ik. Haar appartement, op vijf minuten lopen van de uitgeverij, is een soort Museum Van De Eenzaamheid. Een kleine kast met saaie romans, een wezenloos televisieprogramma zonder geluid, een bord met nog warme etensresten (macaroni met kip en pesto, zie ik) op de tafel, de gordijnen half gesloten, een ongelezen krant, gapende schoenen onder de tafel, die vol kringen zit. Ik trek mijn jas uit en hang hem over een eetkamerstoel, tegenover het bord met resten pasta. Carmen eet het staande op.
“Ik zal uitleggen wie ik ben,” zeg ik. “Ik ben Lynda Develing, en ik werk sinds kort bij uitgeverij Ampersand. Vanochtend werd bij ons…”
Carmen onderbreekt me: “Is het gevonden? Is het meegenomen door iemand?”
Ik knik. “Vertel,” zeg ik dan.
“Ik schrijf in mijn vrije tijd, en besloot een tijd geleden om eens wat naar een uitgeverij te sturen. Ik heb er zo’n vijf, zes gehad, maar ik kreeg alleen maar standaardbriefjes terug. Uiteindelijk besloot ik het manuscript in te pakken en te vondeling te leggen in de stad. Als het lot bepaalt dat het wordt uitgegeven, dan zal het gevonden worden en op de juiste plek terecht komen, zo dacht ik. Ik moet toegeven, ik had die dag een paar jointjes op. Maar je ziet: het werkt!”
En ik luister naar de verhalen van Carmen en word slaperig van de wijn. De sigarettenrook irriteert mijn ogen.
En Carmen zegt: “Ik woon hier nu een halfjaar en heb veel vrienden. Heel veel vrienden.” En ze zwijgt en neemt een slok wijn, en ik peil de eenzaamheid in haar ogen, de verlatenheid die immer onvervaagbaar is, en ik neem ook een slok wijn en zeg: “Carmen, volgens mij ben je zo eenzaam als de pest.” Carmen sluit even haar ogen, schudt van nee. De klok tikt de uren weg.
“Ik was getrouwd,” zegt Carmen met onvaste stem. Ze zegt het zoals iemand vertelt dat hij erg ziek is geweest. “Ik was getrouwd, maar ik was ongelukkig.”
Ik denk iets van ‘vertel mij wat’.
“Maar ik word gelukkig, ik ga gelukkig worden,” zegt Carmen en ze staat op, spreidt haar armen wijd uiteen, zodat haar witte bloes zich strak om haar borsten spant, en ze schreeuwt het uit, zonder woorden.
“Waarom was je niet gelukkig?” vraag ik als Carmen weer stil is.
“Drank,” zegt Carmen. Ze drinkt in een grote teug haar glas wijn leeg en vult het gezwind.
Ik zeg: “Jij of hij?”
“Wat jij of hij. Hij natuurlijk.”
“Maar jij bent er ook niet vies van zie ik.”
“Dat is zijn schuld.”
“Natuurlijk. Wat spreken we af?”
“Ik ben verliefd.”
“Ach,” zeg ik. “Wie begon er met drinken?”
“Zijn vriendin.”
“En wie is de gelukkige?”
Carmen kijkt verbaasd. “Wie zegt dat hij gelukkig is?”
“Is zijn vriendin van de drank af dan?”
“Ze zijn uit elkaar.”
“Maar wie is de gelukkige?”
“Het is maar hoe je het bekijkt,” vindt Carmen.
“Je bent verliefd,” help ik haar herinneren.
“O, bedoel je dat.”
“En?” Ik moet ervan zuchten.
We spreken af dat zij aan het einde van de week een bezoek brengt aan de uitgeverij. Ik heb er een raar gevoel bij. Niet bij haar boek, maar bij haar.
Wordt vervolgd, mijn fijne dagboek…”