Vervolg van Sjoemelzaad (2/7) Een bizarre aanklacht
Terug naar 2012, het gedenkwaardige jaar waarin ik het bestond mijn mening te publiceren. Een door mij gekwetst lesbisch stel maakte zich op om die vreselijke teksten te bestrijden. Niet zelf. Daarvoor hadden ze twee pionnen, die de klus moesten klaren. Allereerst hun inmiddels 24-jarige dochter, donorkind Rietje. Die deed iets bij het Openbaar Ministerie. Tikgeit of aanklager; dat is niet duidelijk. Zij werd bijgestaan door haar beddenmaatje, de Amsterdamse rechercheur Jostie Sherlock Flessentamboer. Die hing opeens aan de telefoon… Eerder had hij mij per brief gesommeerd langs te komen voor verhoor.
Jostie werkte, zoals hij het uitdrukte, veel samen met „iemand van het OM“. Hij deed daar geheimzinnig over, want ik mocht niets meer weten! Het lijkt zo of er een derde persoon bij is betrokken. Waarschijnlijker is, dat Rietje en die „iemand“ dezelfde persoon zijn.
De wakkere lezer ziet een “wij van wc-eend”-situatie aankomen. De klagende partij zat zelf in het opsporingsteam! Dan lopen persoonlijke belangen en beroepsmatige bevoegdheden door elkaar. Privégebruik van ambtelijke middelen ligt op de loer. Zo’n middel kan een opsporingsambtenaar zijn. Vandaar dat ik er een advocaat bij haalde.
Deze begon met het aanschrijven van rechercheur Flessentamboer naar aanleiding van diens oproep. Waarom dat verhoor op een onzalig tijdstip op een moeilijk te bereiken locatie moest zijn was niet duidelijk. Je zou het bijna sarren noemen. De advocaat wilde sowieso eerst zelf zijn cliënt spreken. Dus graag een nieuwe datum en locatie opgeven, meneer Flessentamboer. Daarna kunt u los gaan op Bens schrijflustige, maar vreselijke biograaf.
De rechercheur (b)leek kopschuw voor contact met de advocaat. Hij belde mij vóór het verhoor had plaatsgevonden liefst twee keer op. In dat (eerste) telefoongesprek gaf hij bevel mijn teksten alvast van het internet te verwijderen… Wachten op een rechterlijke uitspraak hoefde van hem niet. Lijkt dat niet op censuur? Ik vroeg hem de betreffende titels e.d. te e-mailen, omdat dicteren over de telefoon niet opschoot. Hij beloofde het te doen en waarschuwde tegelijkertijd, dat ik het niet moest wagen om verwijderde teksten opnieuw te publiceren. In dat geval zou hij optreden! Zo wordt in Rusland meningsuiting gesmoord.
Dat eerste gesprek kreeg een merkwaardig slot met “dat hij blij was dat ik het ook zo erg vond”. Waar kwam dat nou vandaan? ”Het is vooral zo erg voor nakomelingen”, lichtte hij toe. Welke koters bedoelde hij? Van de twee lesbo’s, van Rietje of van Rietje en hem? Dat mocht ik niet weten. Net zomin als goedgeefse Ben ooit iets hoorde over nazaten.
Speurneus Jostie maakte deel uit van de tegenpartij. Hij vulde voor mij in wat ik “zo erg” moest vinden. Verliep het ingezette onderzoek dan wel objectief? Hij was begaan met vage kinderen die door het lezen van mijn “zo erge” stukken van slag zouden raken. Meer nog leek hij bang dat ze op die manier hun herkomst zouden achterhalen. De openhartige inhoud stond hem niet aan, maar meer nog stoorde het hem dàt ik er überhaupt ruchtbaarheid aan gaf. Misschien ben ik een kniesoor, die daarop let, maar een ambtenaar die intimideert en iemand het uitingsrecht ontzegt maakt zich schuldig aan een ambtsmisdrijf.
Nog meer “zo ergs” kunt u lezen in:
Vervolg: Sjoemelzaad (4/7) Censuur