Deel I
proloog
ik blijf kijken in de bodemloze leegte
van de dagen en van de nachten
en zal moeten aanvaarden dat ik
mijn geluiden nodig heb
mijn woorden om de rust te bewaren
met klem op toon en stijl
en als ‘t moet de klanken
de kleuren en de grove streken
en zinnen op ‘t onbenoembare
hopen op de verlossing van akkoorden
en gedeelde gevoelens in ritmes
blijven schrijven door barricades
opstapelingen van verloren besluiten
geheelde verlangens van voorheen
en gekomen uit ‘t diepst zwarte
stort ik mij eindelijk weer op woorden
ik dacht Helikon en Olympus te moeten bedwingen
om de pijn te mogen bezingen
nu houd ik weer eens ‘n ander hart vast
ternauwernood gevonden tussen knusse kussens
waarin ik voorgoed verdwijnen zou
ik laat de bergen achter en mijn zicht
gericht op eindeloze gedachtes en ideeën
en probeer de sterren niet te vergeten
en natuurlijk de onversleten maan
ik schrijf en lees en schaaf en denk
en leef gestaag enigszins vertraagd
‘t woord versaagt niet in klank
kleur of vorm in onverwachte grepen
van letters die leven
‘t maakt mij niet uit
welke woorden hier staan
zolang ze in vrijheid geschreven
mogen bestaan
===
ik
of wat daarvoor door moet gaan
of voor welk beeld ik sta in jouw ogen
dans met alle verbeelde voeten
in de woordenmodder van velen voor mij
maar welke taal resteert
welke woorden zonder aangeboren of aangeleerd geloof
zonder haalbaar idealisme
doorstaan meer dan ‘n lichaam
meer dan ‘t gevoel
de aangetaste herinnering aan ‘n toen
‘t vertroebelde nu en/of ‘t te vergewissen dan
jij
of wat daarvoor door moet gaan
of voor welk beeld jij staat in mijn ogen
leest in de letterlijke woorden ook
de afrekening met jaren voor jou
===
alle hyperbolen kunnen gestolen worden
alsook mijn ironie, en
als jij mijn cynisme weet te jatten
beloof ik je alle schatten van de aarde
‘ik geloof dat ik lijd
al ‘n tijd, soms
aan jezusnijd’
ingewikkelde materie, zei hij
boven de rivier als trechter
‘n rechterwang waarop hij sprak
‘n oog waarvoor hij opstond
bleef staan in doffe twijfel
maar de beelden komen hier niet
de beelden komen uit de stromen
‘t getijde zingt ‘t gewoontelied
de capriolen mogen verloochend zijn
zelfs mijn sarcasme kwijnt onderwijl
schreit hij over ‘t scheefgescholden pad
van de stad over de linkse oeverloze wal
deze stroom zal dat nauwelijks overdrijven
===
voor mij ligt de ruimte
toegewijd en onvervuld
te glunderen van leegte
zonder twijfelend idee
beklim ik geen vragen
maar de geur van ‘n gevoel
en elke stilte is welkom
om verlangens te wegen
in ‘t achterafgelegen zijn
waar alle tijd verdrinkt
in onbenaderbare schoonheid
===
misschien kan dit ‘n kerk zijn
in ‘t midden van de gemeende
woorden die ‘t vereeuwigen zal
of ‘n vestingwal tegen de tanks van de tijd
die te vroeg of later de rust doorzeven
met hun vooruitgesnelde nijd
dit durft ook voor de troepen uit
(‘t zijn de eerste klappen niet)
de waarheid te verbeelden
want ‘t tegendeel verspeelt de stem van de straat
dat nu en nooit niet de gevolgen overziet
van de algoritmische haat/praat
als die stem dit dan bezoeken kwam
op deze deuren bonken moest
en of zij in dit schuilen wou
zich verschonen van ‘t bloed aan haar banden
en gauw alle leugens met fluitjes en al
integraal verbranden zou
dan kan dit misschien die kerk zijn
als ‘n vangnet voor de gemengde
gevoelens die zij laten horen wil
===
aan de tafel zonder koffie
zit ‘n man alleen
met groeiende baard
met muzische honger
naar de longen van dit ongedeeld leven
wordt ‘t lichtpunt van dat beeld
losgenageld
als handen gedragen
met de sfeer op sterke tranen gezet
weckpot wordt gedicht
om de vloeiende inhoud geglazuurd
vijftien zinnen zonder uitzicht
verlicht in antigonische neonletters
verduurd door de archiefdievegge
voor ‘n gezamenlijk toekomstig verleden
===
wat dichters te zeggen hebben
in tijden van dreigende oorlog
behalve met de pen belijden
van vrijheid en democratische
waarden en ontelbare woorden
over liefde en schoonheid en
‘t aanvaarden van ‘t leven
en de onlosmakelijke verbinding
met de dood en de natuur plus
alle bijverschijnselen opgeteld
bij de oneindig vicieuze cirkel
van ontstaan naar ‘t bestaan
en weer vergaan in de rijkste
kleuren en geuren en gevoelens
in onvergetelijk menselijke taal
dichters hebben wat te zeggen
als de hoop dreigt te verliezen
van de wankele werkelijkheid
en de mensen weer woorden
nodig hebben voor hun moed
om de onvoorstelbaarste stap
in ‘t onzekerste nu te zetten
===
wij dromen van de komende lente
en negeren graag bij deze maartse zon
dat bloemen anders kunnen gaan ruiken
in de struiken de vogels scheller klinken
of frêle zoals de zoemende wereld
en ‘t wilde fladderen soms de adem
stokt als de verwondering verbijsterd
door de werkelijkheid vermorzeld wordt
we moeten onze oren ongebruikelijk
laten getuigen met andere zintuigen
samen de uitzonderlijkheid verslaan
met onze handen in verbondenheid
de bonte verzameling zachte krachten
bundelen tot ‘n machtig mooie eenheid
en vechten voor ‘n bloeiende lente
===
om haar in volle omvang
te vangen met mijn ogen
zonder bedrogen te worden
of gedonder met de scherpte
van intens ervaren beelden
en haar volledig te voelen
echte bedoelingen beleven
meebewegen met bestaan
en ondergaan wat liefde is
als ‘n ongekende weelde
als haar volste vertrouwen
meegaan op de bouwstenen
aangereikt door ‘t gegeven
van ‘t onvermijdelijk einde
van dit ongrijpbare heden
===
ik vang de zon (nu zelf)
vind mij vanaf de bronnen
zuiver stromen buiten
‘t zicht van d’oude schaduw
als nachtmerrie opgelost
in ontloken licht
op ‘n nieuwste pad naar Helikon
brandde de ontgoochelde laurier fel
grenzeloos lichtzinnig en alsnog
harten en handen verwarmend
laat mij als de analogische achtergrond
van ‘n bijkleurende droomkameleon
in overtuigende tegenstellingen
hopen op grondig kokende woorden
dealen met de schoon schijnende tijd
de koning maximaal lachend achterlaten
met bewezen daadkracht ongedeerd
door de rotsvaste stilte komen
beroering opdragen aan ontroering
===
in zo’n donkere uithoek waar ‘n man zingt
‘als zij geweten zou hebben’
waar de lichten haar vertrek verduisteren
de stoelen en de vloer om ’t hardst klagen
de viool gelukkig nog kermt
op ‘n bespoedigende driekwartsmaat
en ‘t eikenhout verdrinkt in weemoed
‘t onverhoopte orgeltje overloopt
in getijden met gevoelige snaren
en de stokjes tikkend vertragen
als de regen op onze zekere dagen
waar wij alles nodig hadden
waar wij alles wilden
in ‘n nog donkerder wereldwijd hoekje
met de mythisch stekende struikenweelde
en klassiekers onder snotogengezwijmel
of ‘n plots ontspiegelde engelenstem
‘n ‘maximum commentarium’ ergo
‘t lemniscaat des zij-zoenen-orkaantje
als één fokking flipperkast glinsteren
de viltjes doorweekt tussen deze lijdende
voorwerpen en de stilte wacht
voorgezongen en beklonken
ik [zweeg de gelauwerde] luister en hoor
ontketenende zanglijnen van trouwe rouwenden
grauwe stemmen van welgevormde vrouwen
onbesmuikte lentehaat vol zomermoordzang
in klaprood of aquarelachtig hollandsblauw
in de verlichte uithoek zong de man nog
‘jij deed mij beseffen’
en de schaduw bevestigt ‘t vertrek
als de dag die je nooit dacht dat zou komen
op iedere anglicistische moederneukende wijze
‘als ik je alleen maar zou kunnen zien
zien of je lacht
zien of je huilt’
===
onder de bloedende maan
de lente laat steeds weer op zich wachten
na vroege zonnestralen en de frisse moed
van cyclisch herhalende nieuwste kansen
als de werkelijke wereld zich laat omschrijven
in verwachtingsvol schone zinsbegoocheling
om de gewenste betovering veilig in te lijven
mogen ‘t altijd weer dezelfde knoppen zijn
of de opkomende bollen in ‘n lentedicht
waar vrijelijk dwarrelende vlinders vertoeven
ver van waardplanten verwijderd geschilderd
de achtergrond van de gemeende woorden
voordat waarachtige warmte losbreken kon
===
geen tijd voor vragen
onze lippen dachten hetzelfde
en ogen durfden af te sluiten
en nu zou ik wel willen janken
tegen de verdwenen klotemaan
want samen was de kou al koud
maar de aanstaande lente had nog
iets
betrekkelijk aantrekkelijks
tot de poëzie verloor
van mijn oren die haar woorden verstonden
uit benauwend bedenkelijke wonden
vocht dat ik nooit meer drinken zou
verdomme
ik heb mijn bek dichtgetimmerd
mijn klauwen snel afgebonden
zodat ik haar niet bij toeval
langs dichterlijke vrijheden
in alledaagse schaapskleren
onleesbaar verslinden zal
deel II
mag ik niet beginnen
met ‘t ontginnen van
de woeste grond in mij-
zelf?
mag ik geen vertelling
‘n stelling met ‘n kop
of romp of lendedelen
verbouwereren?
mag ‘t ook wringen
‘t afdwingen van
de volle aandacht? en jij
ja jij
[de focus verstijft]
jij tekent de werkelijkheid
waarheidsgetrouw in
alle zwart-wit-tinten
ik schilder met klei, zand
leem, veen en als ‘t moet
zavel, want ik weet goed
wat ik niet missen kan
[voor míj timmeren voorgaande
subjecten en enkele
persoonsvormen ‘t dicht]
vóór mij ligt ‘t leven
nog even onbeschreven
als toen jij plots
mijn kleuren omschreef
als te vrij of benauwend
‘t moest lichter zijn
minder verleden/heden
wel/geen ongerijmdheden
[ik weet ‘t niet meer]
de toekomst voor jou
zonder deze woorden
dus moet ik weer zwijgen?
===
‘n poëet met ‘n ziel zou schrijven
over de lichtjaren van de plotselinge
afstand tussen onze hemellichamen
misschien dat de strak blauwe lucht
valer gebracht wordt of de warmte
voor ‘t dramatisch effect vergeten
wellicht moet ik tranen verzinnen
om mijn gebroken pen in te dopen
liegen dat ik gisteren bezopen was
kan ik ‘t gemis aan ‘n rotgevoel
inlijven in de krochten van zwarte
woorden achter dit geslepen net?
ik zoek ‘n kerk zonder ramen
of deuren die ‘t woord beperken
dat galmt op verdichte lichtmuren
pilaren ontwaren als mogelijkheden
overtreffen rijzend wetmatigheden
van verdeelde ogen onder de leden
‘n poëet zonder plan kan denken
in meer dan regenboog- of hemels
ontaarde kleuren en ook betreuren
dat vroeger alles beter geweest was
zonder de voorgelogen waarheden
en dubbele moraallerende dienaren
ik dien niets anders dan de poorten
de longen van ‘t woord te vinden
in de schittering van verscheidenheid
hoe mijn hart vandaag gemetseld is
of mijn vingers vluchten kunnen
mijn zijn mag deze regels verschikken
===
waterpijprokende rups
‘Wie ben jij? vroeg de Rups.
Geen bemoedigende opening
voor een goed gesprek’
dat deze zon schijnen bleef
maar zij schreef ‘in haar nachtjapon
achter de rododendron’
da’k haar met ‘n grote/kleine/grote/grotere pil
weggoochelen kon
in de hoge hoed van ‘n ‘vallée des évanouis’
dat zij nu nie’ één van die ‘naamloze bomen’ wordt
en mijn tra kraaiend verkleint
want de ondergrens van mijn hemel verdwijnt
da’k weer samen fikkie stoken mocht
met mijn jachthond bijeengezochte lucht poken
rond de hut in ’t woud
dat ‘t groene goud zijn werk zal doen
en de verstenende centrifugaalkracht
‘n prachtige maansonate volbracht
dat onder ‘n huygelende sterrenkaart
de nacht zich oxelfris opwacht
en coronerend alle strofen verklaart
===
koning zaligmond; ‘n tarottaart
men neme één rustige handvol ideeën
bestrooi deze met zeeën van gelaagde
taal aangelengd met verzengend echte
gevoelens en beleving van levensengte
misbruik de geluide klokken en remix
door de ijdele verhalen van eerdaags
of sla generatie X uit verveling neer
maar
zij die ’t scherpst van de snede
vol in de bek gelezen hebben
weten
er is ‘n tijd van web, en
er zijn troefkaarten
‘Hij draait en waait en draait,
en al draaiend waait de wind weer terug’
de systematiek en metriek
de liefde voor karakters
symboliek in vreemde oorden
zoals hier intrinsiek ‘t daar
gedachtes tot hoogliederen
brachten als waren ‘t verlangens
of volmondiger verre woorden
dat
wat Pippi nooit gedaan heeft
haar toch nagedragen wordt
met natte sokken vechten tegen
’t sterke zwaard van ‘Pirate Lord’
we hebben de wind in de zeilen
nodig om blind vooruit te komen
te drogen wat in onze blote ogen
vermorzeld door fijne diepdromen
van voetafdruk naar pootjebaden
waarna in datacentra opgeslagen
alle beeldendaden herlaadbaar
lijken in digitale zeemansgraven
maar uiteindelijk zal alles verwaaien
liefde uitzaaien in nieuwere baaien
[de dood sleets graaien naar adem]
de tarottaart wacht wreed op tafel
onder dit bijzonder gerafeld kleed
gereed snel besneden te worden
echter ‘reeds’ smaakloos onbesteed
===
bachtal I
en soms lijken ‘t alleen die flarden
uit de streken van deze klanken
van geuren die herinneringen dan
kleuren die passen bij vertedering
van ’n vederlicht genegen kwijnen
in ’t lege zicht van venijnige plicht
en dan blijken ’t enkel deze sporen
in dit netwerk van verstopte punten
die dromen per wisseling verbonden
stromen schakelden ter verbetering
tegen de richting in van zichtlijnen
‘t slinkse traject van beëindiging
en nu zijn ’t de kraakheldere noten
tastbare boeken uit klinkende kasten
die tonen vergevingsgezinde golven
’t gehoornde vermogen deze beminde
in de volle zin te laten verdwijnen
als de rede wint van zwaarmoedigheid
===
ik zal ook deze afwijzing incasseren
de lentezon was toch nog niet sterk
genoeg om ons de kleren van ‘t lijf
te scheuren en opgespaarde geuren
vroegtijdig aan elkaar te openbaren
’t zou wel fijn zijn met ’n waar maatje
’n klinkend bord op klemmende dagen
zelfs de koude nachten met z’n tweeën
struikelend over onze verdekte woorden
zij behoren voortaan tot de klassiekers
in mijn groeiende oeuvre van intrieste
herinneringen aan alle andere tijden
die ik ooit met ‘n jij gehad moet hebben
en vragen wat ik wil terwijl je weggaat
is ook al niet zo origineel en beschaafd
dan maakt het niet meer uit of je mooi
en slim was in voltooid verleden tijd
===
schijnveilige heiligheid
ik trek de lijntjes om mijn eigen silhouet
zodat ik daar buiten vrijelijk bewegen kan
en jij mag over jouw kaders blijven dromen
waar ik vervolgens nog wilder uit stromen wil
dus schrijd ik eenzaam door de webwoestijnen
stuit daar op verbaal uitgedroogde chagrijnen
en ook zij zijn in hun zinnen verwonderd
over mijn ongebonden retorisch gedonder
de één bidt om mijn ziel te vernieuwen
langs cultuurhistorische relikwieën
’n ander tracht mijn daadkracht om te dopen
zodat ik tweedehands woorden ga verkopen
maar er is nog steeds geen blijvende jij
die mij als dolende molenvermorzelaar
meer bekoren zal dan de gemalen taal
die ik telkenmaal voor mijn ogen uit staar
===
toen, terwijl ik rommelde onder niet doorwrochte
zondige bedonderwolken, door ‘t tovervolk verleid
in ‘t gewijde bed, beend’ren toch vervlochten raakten
zag ik de grenzeloosheid van ongelijke pijlen niet
loodrecht in ogen die mij te vaak bedrogen hebben
waarvoor ik ’t evenwicht, door de lafste hoogtevrees
en haar marmeren huid vastgebonden voor ’t leven
aan de eerstverwachte, ontrouw verstoren moest
zonder origineel orgie-idee, waar de schaduw de wereld
bijbels splijten zou in twee onpeilbaar golvende delen
kon de koekoeksbloem nooit in die nacht ontwaken
pas, toen ik wat stommelde onder vergankelijke
liefdeswolken in ’t licht van oprechte verlangens
niet weer ‘n verzuchting, zij mijn gezangen hoorde
als ’n leeuw in de luwte verlichting voorschotelde
uitvogelde hoe te vliegen als vleugellamgeslagene
waardoor ik deze vrije val uit haar vernauwde lucht
de krans om de slagaders van verdriet minder voelen zou
===
‘Waarom bestaat er geen pil
tegen verliefdheid:
Antilovine?’
’t zullen de donkerste luchten zijn
met pikzwarte houwelen gemijnd
door ramvaste argonaut-achtigen
waaruit alchemische zee-elementen
en etherische woestijnzandspoken
spiritualistisch uitgedund stromen
tot miergeestige zielengietsels
die zelfs Brahman uitspugen zou
trouw aan de cyclus van heel ’t al
’t gaat in ultima forma om de truc
Cupido epísis gnostó os Eros
in ’n R.E.M.-slaap feedbackloop
tot één Spesiaanse soloprojectie
in Plato’s grotallegorie te komen
verdrinken in Notenkrakerstranen
===
fatalistisch molsgat
tussen horizontale lamellen
van de illuxaflex
[bedekt met ’n te dikke laag arrogantie
waaronder goden en zielschimmen zich
’n veilig en afgeschermd bestaan wanen]
trilt de realiteit door
[’t lot zo nodig ontwijkend
of overweldigend met echte warmte]
de grote voorjaarsdoorwaai
op de stoep
waardoor stoffige restjes zich
laten opjagen
in vlagen van ijdele wind
als ‘n hoopje
klop ik ’t
zienderogen
uit
’n exodus van exenrommel dus
godinnen zonder ruggengraat
die geen gratie meer verdienen
op wat alleen als ‘n intentie bestaat
zal geen huis van leven ontkiemen
in zo’n moeras als hemel gepitcht
zal iedereen stinkend verdrinken
als ’n plasje
zie ik ’t
stralend
in
[de lamellen zijn inmiddels vervangen
door realistische zonnewendetabellen]
===
als er even niks nieuws groeit
kan de lucht op adem komen
en de grond weer doorwaaien
verlichte wortels zelfs
maar
verwaarloosbaar
zouden nachten spiegels brengen
mochten de randen zwart blijven
als levenloze gaten zonder slagen
harde leerscholen
lijken
gewonde helingen
onbevredigend
de dode
herinneringen
begraven in permanent
aardedonkere archieven
verdwenen de dievegge
en de man van de baard
onder ‘t stof van sleets
gemak en verwondering
’t blijvende gebrek aan ’n wolkje
ontneemt de schaduw al lang
haar hang naar afvlakking
de kans ten volle te voeren
sowieso mogen vogels en slakken
dit voorjaar pakken wat ze willen
zodat er even niks nieuws bloeit
===
(omdat de versneller stilstond ofzo)
de ochtend wreekt zich met ijselijk vogelgetetter
’t licht doorbreekt de nasleep van de nacht
waar aan ’t oppervlak de stilte heerste
de woorden waren uit de lucht
sommigen veilig geland in af te sluiten kooien
de meesten gestrand
in onnavolgbare ophopingen
van ogenschijnlijk nietszeggende deeltjes
die samenklonterden
de dag knikt
als ’n futloze bloem over de rand
van ’n klassieke vaas
en breekt
waarna alles zwijgt, alles stil
valt, de wereld zwijgt
en staat stil
stil
ik neem waar
hoe mijn hand beweegt
in één beweging
die bloedirritante vogels wegveegt
waarna zich ’n melodieuze menigte meldt
die blijft zingen tot iedere volgende morgen
en de verloren stilte
verdwijnt in ’n gebroken vergeten
deel III
overleveringsmechanismen (voor Spes)
Amor en Ego stonden samen
bij de uitvergrootte tombe
gebonden als nooit tevoren
om wrekende wrevelredenen
van verloren liefdes
in de menselijkste uitingsvormen
in beschamend retorische perspectieven
bolstaande zelfspot en genenleed
in volmondig besef van godengekwezel
lijdzame genegenheidszucht
op goed gelegenheidsgeluk
op trans-atomische gronden
onder ‘n gekmakende maan
[die dus niet gesluierd was]
reflectief te dansen
te wachten op de kleinste fusiekans
als wie zij waren
tot wie hij is
en rondom smeulen doornstruiken
van potentie en andere geluiden
waardoor de bomen splijten
en ’n poel wordt geloofd
over ’t gebroken withoofd
van de bederfelijke lelie
in deze ongerijmde tijden
versmeltend met paralellen
als planetoïden
met de idioterie van idiomen
uit fabelboeken losgekomen
de voortgang samengebracht
voor massa’s hoop
===
herhaaldelijk staat de man op
loopt naar de tuin en rookt
’s avonds ziet hij niks
van de planten
van bloemen
beestjes
toch legt hij zijn hoofd op ’t gras
op zijn knieën gezeten
de hond komt kijken
[’t zou ’n figuur kunnen zijn
in ’n schets van Van Straaten
of wellicht Kamagurka
zonder zonderlinge lange jas dan]
dan gaat de man naar binnen
zitten aan tafel
bedenkt
woorden in onderling verband
die verzanden in vergeefsheid
’t is ’t toegestane niks
dat zich schaamteloos voelen laat
in de bevrijdende leegte
van afgedane verwachtingen
de man staat op
loopt blazend
‘t nu
door de maan verdwaasde
schimmenspel van de tuin
in
herhaaldelijk
===
dit persoon houd er niet van herinnerd te worden
de liefde en de dromen vervlogen
waarheidsval en betichting, vluchtige ogen
de minste herinnering
en woorden bogen gericht opzij
omdat geen lucht alsnog ‘t einde was
’n nieuwe lezing
als we ‘t op ‘n scherpere manier doorzien
‘t eb en vloed van gevoel laten stromen
mogen bloeien als ‘t ijzeren hart
in de hand van ‘n ieder die dat nog dragen kan
van de muze die weer verzandt
===
als de zwart geblakerde blaadjes
uit de villatuin terug waaien
in de zakken van de tijd
en jaren maaien door ’t geheugen
door zijn woorden die allen verstoorden
in soloprojecten en egoprojecties
van zieltogende illusies en dromen
die zich overkomelijk verbijten in zwijgen
’t verleden mag ook vergeten
wat daarvoor nodig is geweest
om tot dat moment te komen
welke stromen afgesloten waren
hoeveel omleidingen genomen
wat de reden was voor elk feest
’t voordeel van de goden is
dat zij steeds opnieuw kunnen verschijnen
al verdwijnen de zinnen zomaar weer
waarin zij dichterlijk tekeergingen
en gevangen als kinderen draaikolkend
kwijnden in zelfgenoegzaamheid
===
vergeet te sterven
de oude en moegestreden huid
dat vuil over de dekens kruipt
wijst af tot voorbij de laatste snik
wanneer de wilskracht ’t vertikt
laat de wrangheid van ’t chagrijn
neerdalen als ’n snotterig venijn
want niet weten verschoont ’t verstand
de vrucht verdroogd, ’t vel verbrand
’n nacht losgeslagen in de tijd
de zon verbaast wat zij benijdt
als zij in de huid verzonken raakt
zich om de vlezigheid wraakt
beklaagt tot in de ochtendmist
‘n eerste turquoise lucht vergist
als ‘n prooi van ‘n primaire kleur
die verdichting richt op willekeur
verwijt minder dan ’t leven geeft
want weten wat je niet beleeft
en wat voor altijd de pijn blijft
de stem, ’t huis, ’t onmisbare lijf
ontkent volmondiger de verachting
dwars door de angstigste afwachting
zwijgt op hoorafstand, traag versterkt
de holle troon van ‘t verbleekte zwerk
of er tijdelijk ’n openbaring wacht
in ’t huilen van de dag
===
‘ik zal de onbedrieglijke wil
verkondigen’
uit ‘n onbuigzame boog
vertrok de vlijend gouden pijl
door noodlottig lood vergezeld
‘t ondoordringbare woud
bracht helder de ijdele stem
als ‘n tempel van volharding
zijn marmeren kracht brak
alsnog op de leegste liefde
van vermomd kreupelhout
in de schaduw van die struik
aan ‘n eeuwige rivieroever
vlocht zijn krans zichzelf
gedragen om ‘t gebroken hoofd
om ‘t gespleten hart
dit godenlevenslang te verdragen
===
op de kop tussen dopheide
in ’t open veld was geen schaduw
van laurier of struik te bekennen
behalve van ’n eenzaam wolkje
dat zo weer voorbij waaien zou
en toch
toen hij ging liggen
kwamen de schapen
grazen en stampen
en sneden
met hun silhouetten
als tanden
’t fris aangegroeide
goede gemoed weg
dat blakend in de zon
eindelijk begonnen was
op te bloeien
en dan blaatte hij
nog [eens] niet
in wollige woorden
over de stormen die volgden
hoe hij in wezen
doorweekt en zwart
afgebrand
Thor vermorzelen moest
als hij ’n hamer had
was hij gaan slapen
maar op handen en voeten
zou hij zwerven
dolend door de dagen
en doodde de nachten
in de galerijen
waar
als ’n leeuw in de luwte
’n nieuwe lotsbestemming
wachtte
om weer los te laten
en verder te gaan
tijgerend nu
door ’t dal der beken
bij de rivier en ’t bos
getraind in de leegte
en de schaduw
van ’t open veld
Stolz
im Mondlicht
unter den Wölfen
‘ahoeoeoe…’
===
de beschuldigde vulkaan
ondanks al ‘t goddelijks
wat hij was geweest
wat hij had gedaan
in de beeldspraak
door de ogen
van de vrouwen
bleef hij verweesd
doorleefd zwalken
door bos en beekdal
in de vertrouwde
maanlichtsonateval
of ‘n drinkgedicht
dus niet geschikt
of gezwicht
voor de droomwouden
waar zij wilden zweven
in levende lijven
zouden blijven
als hij
als de schuldige vulkaan
door ’t leven zou gaan
die leugenvleugels als wassen neuzen
van zijn verhitte schouders geschud
en de veren uit zijn gat geblazen
zodat zijn kratermond eindelijk vrijelijk
razen kon
zijn woorden weer als lava de slaven
van de vaste grond onder hun voeten
laat gloeien van ingezonken schaamte
vol in ’t zicht van zo’n misbruikt kruisgeraamte
zal hij spuwen
en blijven spuwen
‘t magma als dunne stront over de randen duwen
’t kreupelhout verbranden tot aan de stuwende rivier
met zijn vuur de aarde gierend vruchtbaar maken
===
epiloog
hij is blijven kijken naar de verlangens
achter de daden en in woorden
en heeft aanvaard dat hij
zijn geluiden en stilte nodig heeft
zijn onbezoedelde ruimte
om in rust te leven
te lezen en te schrijven
om lucht te krijgen in poëzie
hij heeft die klotebergen te vaak bedongen
zijn hart keer op keer kapotgezongen
zijn longen ernstig verbrand aan liefde
maar hier heeft hij zijn thuis gevonden
heeft hij zijn kerk verzonnen
onder dit dak blijft hij
onder deze sterren en de onverbeterlijke maan
waar hij talloosheid kan laten ontstaan
hij schrijft en leest en schaaft en denkt
en leeft gestaag steeds minder vertraagd
en de woorden blijven bestaan
uit de letters die alles overleven
‘t maakt hem niet uit
welke zinnen hier staan
zolang ze in vrijheid geschreven
mogen vergaan
======================================================
Noten:
(aan de tafel zonder koffie)
- I man in de openbare ruimte van CODA Apeldoorn, opgetekend door medewerker;
- II muzen in de Griekse mythologie waren godinnen van de wetenschap en de kunsten;
- III ‘Antigone’, 440 v.Chr. Sophokles
(ik vang de zon -nu zelf-)
- mobar, ‘ik was jouw schaduw’
- Mogwai, ‘New Paths To Helicon, pt.1’
- Ovidius, ‘Metamorphosen; Apollo en de nimf’
- Boy George/Culture Club, ‘Karma Chameleon’
- Neil Young, ‘Words (between the lines of age)’
- Remco Campert, ‘Poëzie is een daad’
(in zo’n donkere uithoek)
- ‘Jism’, Tindersticks
- ‘You made me realise’, My Bloody Valentine
- ‘Anthem’, Deep Purple
(waterpijprokende rups)
- Lewis Caroll (Charles Lutwidge Dodgson), ‘Alice’s Adventures in Wonderland’ (1865) (vertaling door Imme Dros, 2023)
- Tol Hansse, ‘Achter de rhododendron’ (1977)
- Beau van Zweymeltael, ‘White Rabbit’ (2025)
- Gerrit Kouwenaar, ‘sprakeloos landschap’ uit: Vallende stilte (2008)
- Karel Lodewijk Ledeganck, ‘De Hut in ’t Woud’ (1856)
- Canus Dalmaticus, Pippa (Phillipa, fiel-hippa, ‘liefhebber van paarden’)
- Christiaan Huygens, 1673 – ‘De vi centrifuga’ (Over de Centrifugaalkracht); uitvinder van telescopen etc.
- Ludwig von Beethoven, ‘Mondscheinsonate’ (pianosonate nr. 14 in cis mineur, opus 27 nr. 2) (1801/1802)
- Coroner (eng.), iemand die secties verricht
(bachtal I)
- Aafje Heynis, ‘Bist Du bei Mir’ (BWV 508)
‘Bist du bei mir, geh ich mit Freuden
zum Sterben und zu meiner Ruh.
Ach, wie vergnügt wär so mein Ende,
es drückten deine schönen Hände
mir die getreuen Augen zu!’
(schijnveilige heiligheid)
- Miguel de Cervantes, ‘Don Quixote de la Mancha’ (1605-1615)
(‘Antilovine’)
- Antilovine, door Zywa (Gedichten.nl)
- Ram, sterrenbeeld opgetekend door Hipparchus in 2de eeuw v.Chr.; naam en afbeelding zijn ontleend aan mythe over Jason en de Argonauten
- Paulo Coelho, ‘De Alchemist’
- Aether, Griekse god van de atmosfeer, de essentie van de wereld.
- Spiritualistisch, de grondhouding die een direct contact tussen de ziel en God als primair ziet, zonder tussenkomst van bemiddelende figuren, teksten of rituelen
- De Mier, J.J.v.Verre (Gedichten.nl)
- Brahman, upperdude van de Hindoestaanse filosofie, de bron van alles wat bestaat
- epísis gnostó os, Gr. ‘ook bekend als..’
- E.M.-slaap, Rapid Eye Movement aka droomslaap
- E.M., ‘Country Feedback’ (‘It’s crazy what you could have had’)
- Spes, godin van de hoop in Romeinse mythologie
- De allegorie van de grot, Plato
- De Notenkraker, ballet gebaseerd op Alexandre Dumas’ versie van Ernst Hoffmanns sprookje ‘De notenkraker en de muizenkoning’
(overlevingsmechanismen -voor Spes-)
- Spes: de godin van de hoop in de Romeinse mythologie
- Amor: de god van de liefde in de Romeinse mythologie; De Amor-planetoïden zijn een groep planetoïden die dicht langs de Aarde komen.
- Ego: uit het Latijn, betekent in de letterlijke betekenis ‘ik’; Sigmund Freud gebruikte ‘Ich’ voor het ‘ego’ (dat zich tussen het ‘Es’ en het ‘über-ich’ bevindt)
- doornstruiken: verwijzing naar Mozes, Genesis
(dit persoon houdt er niet van herinnerd te worden)
- nav H.Marsman: ‘Quel être n’aime pas qu’on se souvienne de lui?’
- nav K.Bladzij, ‘Maart, April, Mei’ (25-3-2025, Gedichten.nl)
(’t voordeel van de goeden)
- voor Maxim/Max de Lussanet, ‘Badwater’ (Gedichten.nl)
(vergeet te sterven)
- nav ‘Memento Mori’ van H. Marsman
(de onbedrieglijke wil)
- Ovidius, ‘Metamorphosen; Apollo en de nimf’