‘Hier woonde je opa’, zeg ik tegen mijn neef als we langs een verwaarloosd appartement rijden.
Nu is het een arme wijk, maar in de tijd dat mijn vader daar bij een gezin inwoonde, was het gebouwd voor een middenklasse van ambtenaren, leraren en vaklieden. Mijn vader was bevriend met de zoon en omdat er toentertijd ook woningnood heerste, trok hij bij hen in.
Met zijn vriend reisde mijn vader door Europa, met Rome als hoogtepunt.
Mijn vader werkte al vanaf zijn veertiende. Zijn moeder overleed op jonge leeftijd en mijn opa was een nieuw leven begonnen, waarin voor mijn vader geen plaats was. Bij die vriend en zijn ouders vond hij eindelijk een rustige plek. Maar zijn vriend kreeg leukemie en na zijn overlijden trok mijn vader weer verder.
Het verhaal emotioneert me niet meer als ik het aan mijn neef vertel. Het is al zo lang geleden en mijn vader is gelukkig goed terechtgekomen. Mijn neef luistert welwillend, maar kijkt intussen vaak op zijn smartphone.
‘Je opa had al heel vroeg een mobieltje.’
‘Waar je alleen mee kon bellen zeker.’
‘Klopt.’
Ik had hem graag foto’s van mijn jonge, vrolijke vader en zijn vriend laten zien.