De voicemail staat nog steeds op zijn oude telefoon. Een zwart toestel met een gebarsten glas en een batterij die hij twee keer per dag moet opladen.
Hij drukt op afspelen.
‘Hallo schat.’
Hij sluit zijn ogen.
‘Ik ben even bij de supermarkt.’
Het piepje van een winkelwagenwieltje op de achtergrond. Hij had dat nooit eerder opgemerkt.
‘Hebben we nog koffie?’
Nee, denkt hij. Al drie jaar niet meer.
Hij zet het bericht stil.
De klok op het weerstation loopt nog altijd zeven minuten voor.
Na een tijdje drukt hij opnieuw op afspelen.
‘Volgens mij niet. Ik neem voor de zekerheid een pak mee.’
Een stem door een omroepinstallatie. Iemand laat iets vallen. Dan haar lach. Hij spoelt een paar seconden terug.
‘Wacht even.’
Een korte stilte.
‘Nee, dat is niet ons merk.’
Hij heeft zich vaak afgevraagd tegen wie ze dat zei.
Op de voicemail klinkt geritsel.
‘En melk. Die vergeet ik anders weer.’
Hij glimlacht. Ze vergat haar bril, haar sleutels, afspraken.
Weer zet hij het bericht stil.
Hij wacht zoals iemand die een straat oversteekt waar niemand meer woont.