“Ben jij dat, Erica?”
De stem aan de andere kant van de lijn klinkt zacht en enigszins gejaagd. Erica zucht en schuift een beetje geïrriteerd haar paperassen opzij. Haar blik dwaalt naar buiten, waar achter de vuile ramen de vroege winteravond valt. In het licht van de straatlantaarns ziet ze de eerste, aarzelende sneeuwvlokjes dwarrelen.
“Ja, mama. Bent u iets vergeten?”
“Hoe bedoel je, kind? Ik vergeet nooit iets.”
“U heeft een kwartier geleden ook al gebeld,” zegt Erica voorzichtig. “Ik dacht…”
“Onzin,” weert haar moeder af, “ik heb je in geen eeuwen aan de lijn gehad!”
Erica zucht. Ze maakt haar blikken los van het raam en vist tegelijkertijd een sigaret uit het verfrommelde pakje op haar bureau. De onrust, die al maanden op de loer ligt, steekt plotseling in alle hevigheid de kop op.
“Het geeft niet, mam. Kan ik u ergens mee helpen?”
“Het is die vrouw,” klaagt haar moeder. “Ze loopt de hele dag in en uit. Ik heb haar al dikwijls gezegd dat ik dat niet fijn vind, maar ze wil niet weggaan.”
“Welke vrouw, moeder?”
“Dat weet ik niet. Ik heb haar nooit eerder gezien, maar ze loopt me de hele dag achterna. Ik word zenuwachtig van haar.”
“Misschien de buurvrouw,” oppert Erica, “u heeft haar toch een sleutel gegeven?”
“Hoe kom je daar nu bij, kind? Waarom zou ik dat doen?”
Buiten is het harder gaan sneeuwen. De vlokjes kleven een ogenblik tegen de ramen, voordat ze langzaam naar beneden glijden. Huiverend drukt Erica haar half opgerookte sigaret uit in de asbak. Ze voelt zich plotseling eenzaam.
“Kun jij niet komen, Erica? Ik kan die vrouw niet baas.”
“Het is ruim twee uur rijden en ik ben vorig weekeinde nog geweest, mam.”
“Nee hoor, dat is veel langer geleden. Ik denk dat jij er een beetje af bent, meisje. Je was de laatste keer hier toen…”
“Het is al goed, mama. Ik kom morgen wel naar u toe.”
“Dat is lief van je. Hans Wilhelm zal het leuk vinden.”
Nog lang na het telefoongesprek met haar hoogbejaarde moeder, blijft Erica in gedachten verzonken zitten. Pas als de kamer in diepe duisternis is gehuld en een doordringende kou bezit van haar heeft genomen, staat ze op. Rillend slaat ze haar vest wat dichter om zich heen en stram van het lange zitten, schuifelt ze naar de thermostaat om die wat hoger te draaien. Met een resoluut gebaar sluit ze de overgordijnen en knipt hier en daar een schemerlamp aan. Als het zachtgele licht zich door de kamer verspreidt, komt het gevoel van eenzaamheid in alle hevigheid terug. Langzaam, zich hier en daar vasthoudend aan de meubels, loopt Erica naar de kast om een fles port en een glas te pakken. Hoewel ze vrijwel nooit drinkt, is de behoefte aan een borrel nu groot. Op het moment dat zij de dop van de fles schroeft en het glas voorzichtig volschenkt, valt haar blik op het portretje aan de muur. De rode port gutst over haar handen en drupt op het goudgele tapijt. Getroffen kijkt ze naar het ronde jongensgezicht op de foto, naar de zachte grijze ogen die haar tegemoet glanzen. Met een bevende vinger volgt ze de strakke scheiding in zijn haren, glanzend van de brillantine. Dan draait zij zich met een ruk om, weg van de foto, weg van de herinneringen die haar nu al meer dan vijftig jaar achtervolgen. Met een verbeten gezicht loopt ze naar de zithoek, waar ze plaats neemt in de oude leunstoel die haar zo dierbaar is. Vroeger, toen ze jonger was, kon zij zich er helemaal in opkrullen, haar benen onder zich gevouwen, maar tegenwoordig moet ze stram rechtop blijven, gehinderd door haar leeftijd en reumatiek. Opnieuw dwalen haar ogen naar het portret aan de wand en ditmaal dwingt zij zichzelf om haar blikken niet weer af te wenden.
Dat is lief van je… Hans Wilhelm zal het leuk vinden…
Hete tranen wellen naar haar ogen en de rauwe pijn die plots door haar borst krampt, doet haar naar adem snakken. Met trillende handen brengt ze het glas naar haar mond om het in één teug leeg te maken. Nog een laatste maal kijkt ze naar het lachende jongensgezicht, dan staat ze resoluut op om het portret van de muur te halen en het weg te bergen in haar bureau.
Korte tijd nadat ze de grensovergang in Venlo is gepasseerd, zet Erica haar auto stil op een vrijwel verlaten parkeerplaats. Ze snakt er naar om even naar buiten te gaan en haar vermoeide benen te strekken, maar de sneeuwstorm en de koude weerhouden haar daarvan. Ze heeft meer dan twee uur gedaan over nauwelijks negentig kilometer en naarmate haar tocht vorderde, is het weer alleen maar slechter geworden. Gelaten haalt Erica haar schouders op, dan start ze de motor om haar reis te vervolgen. De wielen van de auto slippen in de versgevallen sneeuw als ze weer invoegt op de snelweg. Kennelijk hebben de meeste mensen het afgegeven weeralarm ter harte genomen, want er is nauwelijks verkeer. Gespannen tuurt Erica door de voorruit, gehinderd door de snel bewegende ruitenwissers die de sneeuw nauwelijks kunnen verwerken. Hoewel ze de weg naar haar geboortestad al honderden malen heeft gereden, raakt ze toch gedesoriënteerd doordat ze de wegmarkeringen niet meer kan zien en de richtingborden nagenoeg onleesbaar zijn. De lichte hoofdpijn waarmee ze die morgen is opgestaan, wordt erger. Met haar ogen strak op de weg voor zich gericht, vist ze een sigaret uit het pakje dat naast haar op de stoel ligt. Dan buigt ze zich iets voorover om de radio aan te zetten. Het volgende moment vult de sonore stem van Freddy Quinn de auto:
Junge, komm bald wieder, bald wieder nach Haus…
“Verdomme,” zegt Erica tegen zichzelf, “ook dat nog!”
Hans Wilhelm was nooit meer thuisgekomen. Toen zijn weekeindverlof erop zat, was hij met een verbeten trek om zijn mond weer op de trein naar Keulen gestapt.
Als ik niet op het appel verschijn, komen ze jou halen, papa…
Erica klemt haar kiezen op elkaar en vloekt binnensmonds. Een eindje verderop ontwaart ze richtingborden en automatisch mindert ze wat vaart. Ze moet haar ogen tot het uiterste inspannen om te zien dat ze Duisburg nadert. Ze is niet meer ver van haar ouderlijk huis, maar met deze snelheid zal ze nog zeker een paar uur nodig hebben om er te geraken.
Ich mach mir Sorgen, Sorgen um dich…
Dat is lief van je…Hans Wilhelm zal het leuk vinden…
Resoluut zet Erica de radio af, maar het is al te laat. Beelden en herinneringen stormen op haar af, beuken als mokerslagen op haar in. Uit alle macht probeert ze zich het ronde jongensgezicht van de foto voor de geest te halen, het witte overhemd en zijn eerste stropdas.
Ze tracht zich zijn stem te herinneren, de manier waarop hij plagend aan haar vlechten trok, maar alles wat ze ziet is een verstard gezicht, de mond opengesperd als van een dier in doodsnood. Tegen de tijd dat Erica Wuppertal binnenrijdt, is haar gezicht nat van de tranen.
“Dag mam!”
De gerimpelde wangen van haar moeder voelen broos aan onder Erica’s koude lippen.
“Je bent laat,” zegt de oude dame verwijtend, “waar bleef je toch?”
“Het weer is erg slecht, moeder.”
Erica hangt haar jas aan de kapstok en schudt de sneeuw uit haar haren. Dan, met een blik op het handgeknoopte kleed in de vestibule, trekt ze haar schoenen uit. Op kousenvoeten volgt ze haar moeder naar de huiskamer, waar de ouderwetse potkachel roodgloeiend staat.
Terwijl de oude dame in de keuken bezig gaat met de koffie, laat Erica haar ogen door de huiskamer dwalen, waar sinds haar jeugd bijna niets is veranderd. Op de salontafel ligt nog steeds een gehaakt kleedje, waarop een kristallen schaaltje met kersenbonbons staat. Het tapijt is vaal geworden, maar ontegenzeglijk hetzelfde als toen. De staande klok in de hoek tikt traag de minuten weg en onwillekeurig wacht Erica op het moment dat hij luidruchtig het hele uur zal aankondigen. Op het dressoir staan twee foto’s, één van haar vorig jaar overleden vader en één van Hans Wilhelm, haar broer die nooit meer thuiskwam.
“Hier meisje, drink het lekker warm op.”
Erica kijkt weg van de portretjes en glimlacht. Het valt haar ineens op dat haar moeder nog altijd de felrode lippenstift van weleer gebruikt, een kleur die nu veel te hard is voor het bleke, gerimpelde gezicht.
“U ziet er goed uit,” zegt ze en even streelt ze de blauw dooraderde hand die op tafel ligt.
“Dat moet van die vrouw,” zegt haar moeder afwezig. “Dat mens jaagt me de hele dag op.”
“Dat vertelde u, ja! Maar nu is ze er niet, toch?”
“Op de slaapkamer,” knikt de oude vrouw. “Daar hangt ze heel vaak rond. Ik durf er niet meer heen. Je moet haar wegsturen, Erica.”
Erica weet niet goed wat ze moet zeggen en tekent met een zenuwachtige vinger figuurtjes in het pluchen tafelkleed. Als de stilte blijft voortduren en pijnlijk wordt, zegt ze voorzichtig:
“Zou het niet kunnen dat u het zich maar verbeeldt? Ik bedoel, u wordt een dagje ouder!”
Als door een adder gebeten veert haar moeder overeind.
“Rotkind,” voegt ze haar dochter toe, “denk jij soms dat je moeder seniel is?”
“Nee,” sust Erica haastig, “natuurlijk niet! We vergeten allemaal weleens iets.”
“Ik niet,” beweert haar moeder, “en ga nu je huiswerk maar maken.”
“Later,” zegt Erica zacht, “laten we eerst die vrouw maar eens naar huis sturen.”
Op de slaapkamer hangt een vage geur van Maja zeep en talkpoeder. De witte sprei, die zo lang Erica zich kan heugen op het bed heeft gelegen, is vergeeld en aan de randen gerafeld.
De roze ochtendjas van haar moeder hangt aan een haakje in de muur, daaronder staan een paar afgetrapte pantoffels die ooit aan haar vader behoorden. Met iets van ontroering ziet Erica dat haar moeder zijn pompeuze leunstoel heeft bewaard. Hij staat in een hoekje bij het raam, naast een laag tafeltje met gedraaide pootjes. Glimlachend loopt ze erheen, verlangend de ruwe stof van de fauteuil nog eens aan te raken. Op het moment dat ze haar hand uitsteekt, ziet ze wat er op het tafeltje ligt en verstart ze in haar bewegingen. Hevig geschrokken draait ze zich om naar haar moeder die met een angstig gezicht voor de grote passpiegel staat. Erica gaat naast haar staan en wordt via de spiegel opnieuw geconfronteerd met het tafeltje.
“Mama,” zegt ze moeilijk, “mama…”
“Ga weg,” zegt haar moeder boos. “Laat me met rust.”
“Nee,” zegt Erica dapper, “ik ga niet weg. Ik wil weten waarom u die spullen op dat tafeltje hebt gelegd, alsof…”
Een droge snik welt op in haar borst en belet haar het verder spreken.
“Ik heb het niet tegen jou,” zegt haar moeder toonloos.
Even is Erica helemaal in de war, dan herinnert zij zich de vrouw waarover haar moeder het steeds heeft.
“Er is hier niemand mama, alleen u en ik.”
“Daar,” wijst haar moeder met een bevende vinger naar de spiegel, “die vrouw die naast jou staat. Stuur haar weg, Erica, ik vind haar niet aardig.”
Getroffen slaat Erica een arm rond de tengere schouders van haar moeder.
“Waarom niet mama? Het lijkt me juist een lief mens…”
“Nee,” schreeuwt haar moeder overstuur. “Ik zie heus wel dat je met haar probeert aan te pappen, hoor, maar ze zegt steeds lelijke dingen.”
“Wat zegt ze dan, mama?”
Er komt geen antwoord en voorzichtig laat Erica haar moeder los. Tot haar verwondering draait de oude dame zich om en met opmerkelijk kwieke pas loopt ze naar het tafeltje.
Bijna eerbiedig neemt ze het stapeltje kleren op dat daar ligt en keert terug naar de spiegel.
“Kijk,” schreeuwt ze tegen de vrouw die haar aankijkt, “dit is van mijn jongen. Hij is nu buiten voetballen, maar straks komt hij weer thuis.”
Uitdagend houdt ze een bruine bloes in de hoogte, een bloes die besmeurd is met vreemde, roestbruine vlekken. Erica kijkt geschokt toe, niet in staat om in te grijpen.
“En dit, dit is zijn broek. Kijk eens hoe mooi ik hem gestreken heb. Straks, als mijn jongen thuiskomt, gaan we naar de kermis. Erica mag ook mee.”
Als om haar woorden kracht bij te zetten, zwaait de bejaarde dame het kledingstuk in het rond. Plotseling graait ze in een van de zakken en haalt daar een bruin petje met een klep uit. Aan de zijkant zit een klein, rond gaatje. Erica heft een hand op om haar moeder te beletten verder te gaan, maar de oude dame weert haar zeer beslist af.
“Mijn jongen is een goede padvinder,” zegt ze trots, “dit is zijn uniform. Hij is bij de padvinders, mijn jongen.”
Opnieuw steekt ze haar hand in een van de broekzakken om er iets uit te halen.
Met een triomfantelijk gebaar houdt ze het hoog boven zich in de lucht. Erica voelt hoe de vloer onder haar voeten begint te golven. Ze weet dat ze in moet grijpen, dat ze een einde moet maken aan deze nachtmerrie. Ze doet haar mond open om iets te zeggen, te schreeuwen, maar alles wat ze voort kan brengen is een zacht gefluister. Grote golven misselijkheid overspoelen haar, zuur braaksel vecht zich een weg naar buiten. Naast haar begint haar moeder zachtjes te huilen, waardoor Erica plotseling bij haar positieven komt. Trillend slaat ze haar armen om haar moeder heen.
“Hij is pas vijftien, mijn jongen…”
Het bruine jongensuniform glijdt uit haar handen, het mes klettert tegen de grond.
Erica valt op haar knieen en vouwt de broek en de bloes netjes op. Ze legt het petje met het ronde kogelgaatje er eerbiedig naast. Met trillende handen legt ze het mes erbij, het mes met de inscriptie van de Hitlerjugend: Blut und Ehre…
Vlinderke 2009