Wat is het meest ongelovige waarin een mens kan geloven?
Bij het formuleren van de vraagstelling twijfelde ik tussen de woorden ongelovig en onwaarschijnlijk. Waarom gekozen voor ongelovig heeft te maken met nuance. Ongelovig heeft iets menselijks, iets dat raakt aan verwondering, twijfel en innerlijke weerstand. Het suggereert een houding: een mens die iets niet kan geloven, maar het toch doet, alsof hij zichzelf tegenspreekt. Onwaarschijnlijk daarentegen is koeler, rationeler, bijna mathematisch. Het verwijst naar kansen, naar waarschijnlijkheidsleer, naar de mate waarin iets past binnen wat wij als mogelijk beschouwen. Dus mijn vraagstelling is gebaseerd op een eventuele verpakking van de respons.
Het meest ongelovige waarin een mens kan geloven is misschien niet één enkel idee, maar een soort innerlijk landschap waarin het onmogelijke zich nestelt als iets vertrouwds. Het is een plek waar de rede haar grenzen toont en de verbeelding, zowel koppig als ongeremd, haar eigen spelregels bepaald. In dat landschap kan een mens geloven dat de wereld slechts een vliesje is over een diepere werkelijkheid, of dat het universum een verborgen bedoeling fluistert die alleen hij kan horen. Het kan ook het geloof zijn dat alles wat bestaat slechts een schaduw is van een grotere waarheid, of juist dat niets betekenis draagt behalve wat hij er zelf aan toekent.
Sommige overtuigingen lijken zo ver verwijderd van wat wij als waarschijnlijk beschouwen dat ze bijna een vorm van poëzie worden. De gedachte dat het leven een zorgvuldig geprogrammeerde simulatie is, of dat de tijd slechts een illusie is die wij nodig hebben om niet te verdwalen in de chaos van het bestaan, heeft iets van een mythe die zich vermomt als theorie. Andere overtuigingen botsen zo hard met de tastbare wereld dat ze bijna een daad van verzet worden: de aarde die plat zou zijn, de zwaartekracht die slechts een misverstand is, de geschiedenis die een toneelstuk blijkt. Het zijn ideeën die niet zozeer om bewijs vragen, maar om een bepaalde houding tegenover de werkelijkheid, een weigering om zich neer te leggen bij wat de meerderheid als vanzelfsprekend beschouwt.
Toch zijn het vaak de alledaagse overtuigingen die het meest ongelovig zijn, juist omdat ze zo stilletjes in ons leven sluipen. Het geloof dat alles goedkomt door niets te doen, dat men de gedachten van anderen kan lezen, dat men controle heeft over wat in wezen oncontroleerbaar is. Deze overtuigingen zijn niet spectaculair, maar ze sturen levens, bepalen keuzes, en vormen de stille achtergrondmuziek van het menselijk bestaan. Ze zijn misschien wel het meest ongelovig omdat ze zo hardnekkig zijn, zo intiem, zo verweven met wie iemand denkt te zijn.
Misschien is het meest ongelovige geloof wel dat de mens zichzelf volledig begrijpt. Dat hij weet waarom hij voelt wat hij voelt, waarom hij verlangt wat hij verlangt, waarom hij vasthoudt aan ideeën die geen grond hebben behalve de grond die hij er zelf onder schuift. In die zin is het ongelovige niet iets om te veroordelen, maar veeleer een spiegel van onze menselijke conditie. Het toont ons als wezens die onvermoeibaar opzoek zijn naar betekenis, zelfs wanneer die betekenis zich aan ons onttrekt. Het laat zien dat wij verhalen nodig hebben, ook al beseffen we hun broosheid. Dat wij geloven, niet omdat iets ons is bewezen, maar omdat dat geloof ons helpt te leven in een wereld die ons begrip te boven gaat.
Hierin schuilt misschien wel het meest wonderlijke: dat het ongelovige geloof geen fout is, maar een daad van moed. Een manier om het onbekende te omarmen zonder het te willen bezitten. Een manier om te zeggen:” ik weet het niet, en ik blijf toch aanwezig in de wereld.” Want niet het weten draagt ons altijd, maar veeleer het durven geloven in wat onverklaard blijft. En in dát geloof, hoe breekbaar ook, vindt de mens de moed om verder te gaan. Want misschien is het meest ongelovige waarin een mens kan geloven, wel de moed om open te blijven staan voor wat nog niet te begrijpen valt. Het is de moed van de vraag, niet van het antwoord. En in die vraag, eindeloos gesteld, schuilt het stille wonder van ons bestaan.
J.J.v.Verre.