De trein staat stil tussen twee stations. De ruiten beslaan.
Vier mensen zitten tegenover elkaar. Zoals elke ochtend.
De jongen legt zijn koptelefoon naast zich op de bank.
De man met de aktetas vouwt zijn krant open.
Het meisje schuift haar tas onder de stoel.
De vrouw legt haar regenjas op schoot.
‘Je hebt hem vanmorgen niet op,’ zegt de vrouw.
‘Nee.’
Hij draait aan het snoer.
‘Mijn moeder zei dat ik er nog even mee moest wachten.’
De krant zakt een paar centimeter.
‘Waarmee?’ vraagt de man.
De jongen haalt zijn schouders op.
De vrouw zegt: ‘Ze denken dat het wel overgaat.’
De man vouwt zijn krant dicht.
‘Dat doet het meestal.’
Het meisje kijkt op.
‘We staan hier al tien minuten.’
Ze staat op en loopt naar de deur.
De jongen kijkt haar na.
Hij draait weer aan het snoer.