
De vrachtwagen schudt over de weg. Licht lekt door de kieren en vlekt over ruggen en flanken. De lucht is warm en vochtig van adem. Rompen drukken tegen elkaar aan, hoeven glijden over hout.
Kekke staat in het midden. Zwartbont. Breed.
Een kalf duwt zijn natte snuit tegen haar flank. De knieën van het jonge dier knikken. Hij maakt een hoog, dun geluid dat blijft hangen tussen blaten en hijgen.
Kekke beweegt haar kop een stukje. Haar neus raakt het het kalf tussen haar ogen. Liefdevol.
De wagen neemt een hobbel. Een koe even verderop verliest haar evenwicht. Het geluid van krakend bot, afgrijselijk geloei. Kekke verzet haar gewicht. Vangt de stoot op. Ze voelt het hout onder haar hoeven, het trillen van de motor in haar borst, het taaie trekken in haar keel. Ze kauwt langzaam, zonder iets in haar bek te hebben.
Het kalf blijft tegen haar aan staan. Zijn adem gaat snel.
Stofdeeltjes dansen in het door kieren binnenvallende zonlicht. Het gegil van een verre sirene sterft snel weg.
Kekke denkt niet vooruit. Ze staat. Een geur dringt door: metaal, oud water, iets scherps. Ze besteedt er geen aandacht aan.
De motor verandert van toon. Lager. Trager. Grind kraakt onder banden. De wagen komt tot stilstand.
Alles in de laadbak spant zich tegelijk aan. Lichamen duwen naar voren. Ogen blinken wit. Het kalf beeft zo hard dat zijn flank hamert tegen Kekkes poot.
Ze buigt haar kop opnieuw. Drukt haar neus kort tegen hem aan.
De achterklep klapt open. Licht striemt naar binnen. Hard. Onverbiddelijk.
De anderen deinzen terug, een dichte massa. Kekke blijft staan. Ze ademt in. Ze ademt uit. Dan tilt ze één voorpoot op. Zet hem neer. Dan de andere. Ze loopt niet snel. Niet langzaam. Ze loopt omdat de vloer voor haar ophoudt en er ruimte ontstaat. Haar lijf vult die ruimte. Het kalf blijft achter.
Het licht raakt Kekkes kop, haar schouders, haar rug. Ze knippert één keer. Dan stapt ze door.