
Op een woensdagmiddag halverwege januari rolden kinderen drie flinke ballen sneeuw. Ze zetten ze op elkaar, staken in de bovenste een winterwortel, en daar boven twee ronde, zwarte stenen. Zo ontstond de sneeuwpop.
De sneeuwpop keek naar de wereld en naar zichzelf. Hij was gemaakt van sneeuw. Sneeuw smelt. Niks aan te doen. Geen ramp, gewoon de waarheid.
De eerste dagen waren helder en koud. Kinderen speelden om hem heen. De sneeuwpop genoot van hun gelach. Hij wist dat het niet altijd zo zou zijn, maar ook dat vond hij geen ramp.
De dooi kwam in het laatste weekend van januari.
‘Arme sneeuwpop!’ riep een buurvrouw. ‘Wat jammer!’
De sneeuwpop dacht: Wat nou jammer? Ik ben een sneeuwpop die doet wat sneeuwpoppen doen. Klaagt een roos dat hij verwelkt? Is de rivier boos dat hij verdwijnt in de zee? De buurvrouw liep hoofdschuddend weg. Hoe kon de sneeuwpop zo kalm blijven?
Zijn wortel zakte scheef, een van zijn ogen viel op de grond. Water druppelde van zijn buik.
Een kraai landde op zijn hoofd. ‘Ben je niet bang?’ kraste hij.
Bang? dacht de sneeuwpop. Ik ben precies waar ik zijn moet, op precies het moment waarop het gebeuren moet. Mijn taak was sneeuwpop zijn. Nu is mijn taak smelten. Beide doe ik met evenveel overgave.
De zon klom hoger. De sneeuwpop werd steeds kleiner. Tegen de avond was er alleen nog een plasje water, een wortel en twee zwarte stenen. En in dat plasje spiegelde de volle maan.