Het krachtenspel tussen willen en kunnen.
Tussen kunnen en willen ligt een stille spanning, als een ademteug welke hapert tussen in- en uitademing. De mens beweegt zich voortdurend in dat tussengebied, waar mogelijkheden zich aandienen maar verlangens niet altijd volgen, of waar het verlangen brandt terwijl de weg onbegaanbaar lijkt. Daar in dat niemandsland, ontstaat de vraag die zowel moreel als existentieel is, namelijk wie zijn wij om verantwoordelijk te zijn, wanneer onze wil verder reikt dan onze macht, of onze macht verder dan onze wil?
Kunnen lijkt op het eerste gezicht een harde grens. Het is het terrein van feiten, van omstandigheden, van het fysieke lichaam, de psyche en de plek op de wereld waar je wieg stond. Men kan niet spreken zonder taal, handelen zonder middelen of vliegen zonder vleugels, hoewel die vergelijking tegenwoordig mank gaat. Kunnen is meetbaar, observeerbaar, vaak door anderen vast te stellen. Het biedt een geruststelling, want waar het kunnen ophoudt, lijkt ook de eis te vervloeien of misschien wel te transformeren van vorm. Toch is dat kunnen zelden zo eenduidig als het zich voordoet. Het verschuift, afhankelijk van tijd, moed, ondersteuning en interpretatie. Wat vandaag onmogelijk lijkt, kan morgen binnen ons bereik vallen en wat gisteren vanzelfsprekend was, kan vandaag te zwaar blijken.
Willen daarentegen is een innerlijk landschap, minder zichtbaar, maar wordt des te dwingender ervaren. Het is gevormd door verlangens en angsten, door overtuigingen die langzaam zijn ingesleten of plotseling zijn opgekomen. Willen draagt iets absoluuts in zich, want het voelt als van mij, als datgene wat mij in beweging zet of juist verlamt. Ondanks dat is ook het willen niet vrij van grenzen. Want wie kan zeggen waar een verlangen begint en een gewoonte eindigt, waar een keuze werkelijk gekozen is en niet al lang voorbereid is door verleden en context.
Het dilemma openbaart zich wanneer willen en kunnen niet samenvallen. Wie zegt te willen maar niet te kunnen, vraagt om begrip, om ontslag van verantwoordelijkheid. Wie zegt te kunnen maar niet te willen, roept irritatie of moreel oordeel op. Maar in beide gevallen schuilt dezelfde onzekerheid, als je je afvraagt in hoeverre dat onderscheid wel zuiver is. Misschien is niet kunnen soms een vorm van niet durven en niet willen een verhulde erkenning van onvermogen. De taal zelf lijkt ons hier te verraden, alsof zij probeert orde te scheppen waar de werkelijkheid dubbelzinnig is. Filosofisch gezien raakt deze spanning aan de vraag naar vrijheid. Als wij slechts kunnen willen wat onze omstandigheden toelaten, dan is het willen niet vrij. Maar als wij altijd anders hadden kunnen willen, zelfs onder druk, dan wordt het kunnen ondergeschikt aan een bijna onmenselijke eis van innerlijke autonomie. Tussen deze uitersten beweegt het menselijk bestaan. Niet als een zuivere wil, noch als een louter mechanisme, maar als een breekbare poging tot afstemming.
Misschien ligt de waarheid niet in de keuze tussen kunnen en willen, maar in hun voortdurende dialoog. Het willen rekt het kunnen op, daagt het uit en overschrijdt soms zijn vermeende grenzen. Het kunnen tempert het willen, aardt het en herinnert het aan eindigheid. Morele verantwoordelijkheid ontstaat dan niet uit absolute vrijheid, maar uit aandacht. De aandacht voor wat werkelijk mogelijk is, en voor de morele oproep die, binnen de grenzen, blijft klinken.
Zo bezien is het dilemma geen probleem dat opgelost moet worden, maar een conditie die men aanvaardt. Mens-zijn is leven met die spanning, telkens opnieuw aftasten waar het kunnen ophoudt en het willen begint, in het besef dat beide nooit volledig zullen samenvallen. In die dissonantie schuilt geen falen, maar de kern van ons mens-zijn. Zo blijven wij, onvoltooide stemmen, oneindig bezig met het componeren van ons eigen bestaan. En in die compositie, die hapering tussen willen en kunnen, klinkt de enige partituur welke ons werkelijk toebehoort. En dat belichamen ervan, die ene, telkens hernomen ademtocht, is onze voltooide onvoltooidheid.
J.J.v.Verre.