Kanker,
ik spreek je aan alsof je een dief bent
die ’s nachts door onze familiealbums bladert
met koude vingers
en denkt dat je namen mag uitkiezen.
Maar luister goed:
mijn broer
staat niet op jouw lijst.
Hij is
de stem die mij leerde vloeken toen ik viel van mijn fiets
de hand die mijn hand pakte
alsof hij altijd wist
dat de wereld soms te groot is voor mij alleen.
Mijn grote broer.
Niet groot in centimeters
maar in hoe hij de kamer vult
met een lach die muren optilt
alsof zwaartekracht een suggestie is.
En nu
nu zie ik hem vechten tegen iets
dat geen gezicht heeft
geen ogen om in te kijken
geen hart om te breken.
Alleen cijfers.
Scanresultaten.
Wachtruimtes die ruiken naar stilte.
Ik haat die stilte.
Die medische stilte
die doet alsof dit normaal is
alsof broers horen te veranderen in patiënten
alsof hoop een bijsluiter heeft.
Ik ben bang.
Niet een beetje.
Niet netjes bang.
Maar rauw,
met nagels in mijn eigen borst
alsof ik zijn pijn eruit kan trekken
door mezelf open te krabben.
Ik wil ruilen.
Neem mijn lichaam.
Neem mijn dagen.
Neem alles wat je wilt
maar laat hem met rust.
Hij heeft nog
te veel zinnen die hij moet afmaken
te veel grappen die alleen hij kan vertellen
te veel “weet je nog?”-momenten
die nog moeten gebeuren.
We hebben nog
zomeravonden te goed
en ruzies over niets
en die ene blik
die zegt:
wij tegen de wereld.
Je hebt al genoeg genomen.
Te veel stoelen leeg
aan tafels waar niemand durft te tellen.
Te veel foto’s
waar iemand ontbreekt
maar niemand het hardop zegt.
Maar deze keer
deze keer
sta ik hier
met elke herinnering als een schild
en elke traan als een wapen.
Je krijgt hem niet.
Hoor je mij?
Hij vecht.
Ik zie het in zijn ogen
die nog steeds vuur dragen
zelfs wanneer zijn lichaam moe is.
Hij vecht
en ik vecht met hem
met woorden
met aanwezigheid
met de koppigheid
die alleen familie kent.
Want liefde
is geen medicijn
maar het is ook geen leugen.
Het is
blijven zitten naast het bed
wanneer de klok stopt met tikken
het is
zeggen “we komen hier doorheen”
zelfs wanneer je niet weet hoe.
Dus kanker,
noteer dit:
hij is een broer
en broers
zijn wortels
dieper dan jouw donkere grond.
Hij is
niet van jou.
Niet vandaag.
Niet morgen.
Niet zolang mijn stem
zijn naam kan dragen.
En als hij valt
(maar hij valt niet)
dan val ik met hem
en staan we samen weer op
want wij
wij zijn groter dan jouw statistieken.
Hij ademt.
Hij vecht.
Hij leeft.
En ik
ik blijf hier
met mijn angst in mijn zak
en mijn hoop in mijn vuisten
en ik zeg het hardop
tot de muren het onthouden:
Je krijgt hem niet.
Je krijgt
mijn broer
niet.