R. van de Struik.; bloemlezing II (sep-dec 2025)
non-ornithologie
wat voor een vogel ik was en
waarvoor ik werd aangezien
toen ik arriveerde op dit nest
nog steeds zittend op de rand
waar ik geland ben met zicht
op de andere vleugelachtigen
en zandstrooiers in eigen ogen
die vastlopen in het raddraaien
uit hun duimgezogen vermogen
soms stijg ik even op en cirkel
rond stromen die altijd komen
vanuit de vermorzelde dromen
die het leven van ieder in zich
gedragen heeft met het geloof
het licht in de toekomst te zien
voorbij die fantasie ontwaar ik
kansrijke velden verwondering
in de vorm van bloeiende taal
één vogel die ons allen bezingt
gelukkig is het nog zomer
de gedachten verglijden
als de zomerse wolken
boven de uiterwaarde
stromen als de beken
tussen de platgewaaide
vroeggemaaide velden
door naar de rivier waar
het plezier al van af spat
in aanwakkerende wind
hier vindt helder denken
de oersprong naar diepte
van verdronken verhalen
in alle talen langs oevers
als moeders van woorden
voor ware liefdes geboren
uit dochters én de zonen
van alle zinnen voor ons
die droomden over zeeën
waarheen de ideeën gaan
in grote getalen eindigen
als een verzameling hoop
voor de wanorde van eb
en vloed en hogere golven
de zorgen over weerstand
tegen aanvallen op morgen
als de overdreven getallen
van vele massa’s tsunami’s
sceptici die zeggen dat is
nie’ waar maar dat is wel
waar het in de kringloop
van het water op uitdraait
als de golfstromen stoppen
en de verdamping op stoom
gekomen kunnen wij dromen
over verglijdende gedachtes
maar verliezen het peil snel
op wat prachtig is
Reprise; Polyphonique (voor J.B.)
Mijn gebroken stem
poogde jouw hoogte
blijkbaar te bereiken:
‘Jouw licht breekt door de wolken
als ik mijn ogen open
schitter jij als het lichtste loof
dat ratelt in vertraagde wind.’
Met Marsman in gedachten
wandelde hij
over verbrede kleidijken
alwaar ijdele populieren
met rukwinden mee bleven waaien;
als het koren op de tredmolen
wat altijd uit de bocht vliegen zal.
Jouw passie, verzet en strijd
in de dans, de zang en je lijf
tegenover de vele woorden
tot daden geworden denken
van heersende verwildering.
Als jij langs de velden loopt,
vliegt hij erop uit;
als jij de stilte verbreekt,
weet hij al hoe die ruikt.
Maar als jij loskomt van jouw schaduw,
vind je het dan erg
als ik ‘m gebruik?
Ik wil ook in die wereld komen
waar de bomen naar me kijken,
zonder dat
zal ik
de zoveelste stem
in een illuster rijtje blijven.
L.I.E.F.D.E.
Even tussen alle moeilijke woorden door,
soms lijkt het wel een ontsnappingskamer
voor vergevorderd levenskunstenaarschap,
wil ik slechts de aandacht vestigen op het
volgens mij meest wezenlijke bestanddeel
van tevreden toekijken tot uiterst gelukkig
zijn in het dagelijks leven. Het afscheid van
de zomer die nooit eerder zo groots scheen
zal dit gegeven niet veranderen; ik kruip,
ik worstel door de meest ranzige stront,
ik slinger als wie jij wil dat ik wezen zal
en val uit hogere toppen dan verstandig
bleek. Om de neus der gewisse ondergang
voor een kort moment te behoeden, waar
angst of vrees niet meer waarde hebben,
weinig tot niks zinnigs bijdragen, alleen
vragen oproepen over eenzaam geleden
uren, dagen, weken, maanden, jaren…
ik wilde gewoon even iets over de liefde
te berde brengen in overduidelijke taal.
vertrouwen op mijn handen
Je vroeg me zojuist een gedicht te schrijven
over jou,
we waren net klaar met intensief
onze lichamen
tegen elkaar aan te wrijven;
mijn ogen konden de horizon nog niet vinden,
je straalde alsof
jij in hoogst eigen persoon weer
daalde,
terug in jouw godinnelijk lijf.
Ik vond je schokkend,
zinderend,
beminnelijk opwindend,
schitterend;
in mijn ogen door mijn lippen
bleef je
vertrouwen op mijn handen,
rauw verlangen.
En mijn vingers kunnen zwijgen,
deze zin
van ons leven beschrijven
zonder
woorden die jij alleen te horen krijgen zou
als ik
jouw zin alsnog laat incarneren.
We noemen hem Kees III
met zijn hoofd op de tafel
de asbak omgedonderd
van het tapijt was niks over
om te verbranden
zijn laatste adem lag
opgedroogd
als een vlies te wachten
om weggeveegd te worden
de mouwen van de agent
die de melding kreeg
waren echter opgestroopt
om alle tatoeages te showen
wie er bleker was
zij of de man met de afvalpas
in zijn vergeelde vingers
om de redenen van zijn dood
naar buiten te brengen
zijn ingesleten grimas
was het eindelijk gelukt
om iemands dromen te bereiken
Intersubjectiviteit
A kan wel tegen B zeggen
dat x y is, maar als B niet
erkent dat A A is en hij
of zij zelf B, en daarmee
een ander is dan de ander;
en als A niet differentieert
tussen zichzelf en de ander,
B in dit geval, dan is er geen
A die tegen B zegt: x is y.
Daarbij moet voor A en B
duidelijk zijn wat x is, en
voor beiden moet helder
voor ogen staan wat y is,
in overeenstemming met
elkaar en de werkelijkheid.
Bovendien moeten beiden
begrijpen wat een vergelijking is,
dan kan een begin gemaakt
worden met de waarheid
die objectief gedeeld wordt.
asla na asla
op zwarte vingers tilt hij de dag
over de grens van verwachting
de trage tijd gebrand in zijn lijf
dat altijd maar weer lucht vereist
terwijl zij naakt ligt te wachten
hopend op zijn warme woorden
valt van de maan niks te vrezen
vanonder deze deken van regen
rook kringelt slechts moeizaam
door de verstilling van de nacht
in het licht van de kleinste lamp
glijdt zijn hoofd van het hakblok
het opgelaaide vuur ziet zijn ogen
op gebrandmerkt kachelglaswerk
spiegelen in vervliegende eenheid
van de verhitte gedachtenstromen
met de kool als een vereenzelviging
van schuldbevinding en het gevolg
dat door de spijlen van haar bodem
eindigt in de bak van de ondergrens
In bloedverzachtende doortastendheid
In bloedverzachtende doortastendheid,
welteverstaan: “Zie de kapitein
achter bergen aan blijven gaan!”
En suizen deed ’t:
tekort schoten woorden na elkaar,
vervaarlijk opeenvolgend,
uit zijn comfortabele ruimte,
uit zijn sprekende mond
die verzuimde te pruimen
wat de wereld aanbood,
nooit echt inbond, doch
niet echt van zich afbeet.
De buit in de huidige zak,
-wie had dat ooit gedacht,
voor mogelijk geacht!
Hoop door hoogstpersoonlijke
inhoud en vorm beloond,
‘t onhaalbaarste onttroond:
haar bekroning tot godin
van ‘t toehoren der dingen
en de bekoring zijner zinnen.
realiteitserfenis
olifant van porselein
in dit betonnen paradijs
te grabbel gegooid
als levenswerk dan
vanuit die aangemeten rol
van alle wegen van
de weerstand
dit hoofd
van ieder kwartier
in beelden van de wind
als rups
langs de staalrand
teruggekeerd weer
ben ik hier
druppelsgewijs
omnia mutantur, nihil interit
Als een herfstblad, te worden of niet,
plotseling omslaan, zonder aanraking;
veranderen omdat ‘t geschreven staat.
Zoon van Hypnos, waker over de slaap,
breng mij de angst, krioelende beesten,
vleesverslindende geesten, als de dood,
fobisch wil ik zijn, onder ‘t horen van
uw naam: Phobetor. Schoot voor scheut
beukt, op de eikenhouten deur, de wind,
even gaat de regen liggen aan de voeten
van de man, in bruin tuinoverall gestoken.
Zulke spullen zullen vol betekenis bestaan,
onder fantasievol wol in diepe slaap gedoken;
achter de geloken ogen poogt ook Phantasos
elke terugval te sturen, – zelfs als herfstbladen
droomloos ondergaan in de kleurloze straten.
Voordat hij verschijnt in de gewenste lijnen,
in fijne figuren, lijven, tussen bedrijven door
zijn transitie voortzet, op bewegingssnelheid
van de gesloten ogen; “bevlogen Morpheus,
geef mij een laatste kus, voor ik waken ga, voor
ik deze droomwereld in malheur verlaten zal.”
[alles verandert, niets vergaat]
vertraagde regen
Al ‘t fijne dat ik met mij draag,
elke blijk van verlangen, ieder
vleugje van een spoor op weg
naar een toekomst na vandaag,
gezekerd door ’t vrije denken,
de klimgordel in de dagelijkse
wanordelijkheden en plagen,
vlagen verstandverbijsterende
misdragingen der vaste grond.
Met een verleden van bergen
ervaring met de diepste dalen,
verhalen uit de smerige goten,
langs lange afhankelijkheden,
hard bestreden zwarte gaten,
’t verzwaarde hart op handen
gedragen in vertraagde regen.
Zonder enkel gebleken zegen,
tegenslag als warmhouddeken
wegens ‘t gebrek aan degelijk
onderbouwde redenen voor
‘t leven naar de kromme regels
van deze of gene nieuwerwetse,
in hippiekleren ouwehoerende,
goeroe-uithangende lomperik;
zonder allemans compassie,
zonder aangereikt acceptabel
kompas, maar met grote fabels
in de trant van de oneigenlijke
schuld en de ferme bestraffing,
misvormende verwachtingen;
tekort aan empathische cellen.
Te weinig vingers om te tellen,
maar in mijn hoofd schreef ik
altijd mee met de golven van
de zeeën die zich schreeuwend
openbaarden, nader verklaarden
door de klappen op de donders
te laten volgen, strandde alles
op de kust van ‘t kabbelende
gemoed van mijn bewustzijn.
Ondanks uitputting doorjutten
naar deze overgebleven restjes
eigenheid, nabij de bevrijding
van de diepte van de wateren.
tussen de stofresten
het verleden mag blijven
ware waar het was
ten tijde van dat verleden
daarentegen moet de wereld
heden ten dagen liever nu
dan morgen de deur uit
alle kanalen leeggeveegd
weggeswiped of afgewimpeld
opgeblazen bubbels lekgeprikt
en onwelriekende bladzijdes
dienen als aanmaakpropjes
in de brandstapel voor haat
wat op zal gaan in rook
vervliegen in bevrijdende lucht
onherleidbaar neerdwarrelen
als een vallende avond
verfrissend
ingeademd worden
het zijn de woorden in
de oneindige cycli van
l’écriture automatique
B.O.O.M.
lang
kan ik zitten kijken naar
deze boom
in ernstige verkleuring van de herfst
vol
twijfel nog hangende
en
al afvallende bladeren
vergeeld
of
als fout oranje tuimelend
naar
vuil bruin
waarbij zij doorrotten
in
de meest ranzige plassen
jonge
zwakkere twijgjes
trillen maar mee
in elke opgeblazen wind
om niet direct te breken
of
af te vallen
om
mee te gaan
in
onwelriekende modder-
stromen die
van zuiverheid dromen
reeds
oudere takken die dreigen
knakken steeds makkelijker
in dit snelveranderend klimaat
aangetast door de vraat
van vlug vluchtende verschijningen
in de geest van plagen
waaraan tekorten in celmembranen
vooraf waren gegaan
of
opgevolgd door onberekenbare getalen
et
cetera
vice
versa
door
dan maar naar de dragende stam
gegroeid in de verklarende jaren
gedragen als verinnerlijkt geraakte
afgeronde ringen des tijds
wat vrijheid aan de takken gaf
zodat de bloei tot wasdom kwam
en al het blad als goud shinen kon
-in het ideale plaatje dan
toen
de wortels zich wortelden
door de haartjes haarfijn
de grond doorgrondden
vonden zij daar
de aarde
waarin
in beginsel
alles vóór ons
begon
remontada
Ik heb je lichaam gevormd,
naar het beeld van mijn dromen,
uit kneedbaar ivoor;
ik wou dat jouw bloed stromen zou,
je perfecte lijnen door mijn handen,
verwarmd,
geliefd en vertrouwd, – zelfs
als ze vervagen in bedenkelijke mist,
konden glijden.
Maar de tranen van de Heliaden
zinken in het diepe besef van
zelfmedelijden,
overdrijvend gedram.
Jij mag dan zó mooi zijn,
de kracht ontbreekt mij, ondanks
mijn marmeren levensdrang,
overwonnen tijdelijkheid,
mijn tanden in jouw malse steen,
smeltend, dankzij mijn
vleesgeworden halsstarrigheid,
te zetten.
Mijn tong verdraait het woord,
namelijk: long, langdurend;
lodderig komt de taal
dralend overeind,
vermoeid turend en laf,
bekaf van de Helikon gerold.
Toch sta ik op
tegen de klippen waaruit ik
jou gehouwd heb,
langzaam beitelend,
vastbijtend in hoop
tussen de hopen gruis,
de pijn, grijzend
aan de slaap, verbrijzelend
met de klinkende hamer
van dichter zijn.
vlindervalkuil
kracht vinden in alomvattende leegte
tocht omzetten in dat vleugje wind
waar vleugels op gebouwd mogen worden
voorbij een schatplichtig smachten
prachtig opfladderen tegen het licht in
zinnen verzetten door opheldering
kwellingen vervliegen per hoogtemeter
onwelgevalligheden verbeteren in ledige lucht
als een laatste zucht die stilte verkiest
gevoelens over het verlies blijven achter
onder de netten van de zwaartekracht
waar geen zachte landing wachten kan
aanbodsverrijking der waardencultuur
maak een businesscase van vlinders
een pretpark waar je de bijtjes ziet
in hun natuurlijke habitat
zonder opgedirkte muurbloempjes
of andere stadse fratsen
waar mensen in de rij gaan staan
voor diversiteit met eigenheid
de vrijheid om eigengereid te zijn
niet als kostenpost of terreinverlies
maar als aanbodsverrijking der waardencultuur
die kiezen voor het werkelijke verhaal
in een taal die eerlijk wereldlijker is
en wél degelijk
op fatsoen en weten gefundeerd blijkt
maak groen het nieuwe goud
houd het met trots tegen je borst
laat je hart het schaamrood vervangen
droom en verlang
wees kinky als je wilt
in natuurlijke tinten
kleur de wereld in
alle gezindten kunnen meedeinen
danwel over gespleten zeeën
langs de dolgedraaide drie-eenheden
danwel over de eigen wijze meren
in opgedroogde kwatrijnen
hasjhandig beschreven verschijningen
bevrijd de aarde van verijdelde zonden
maak van de toekomst een verdienmodel
schotel ons de schoonheid voor
maak een businesscase van vlinders
crux’je-ontroer-mij-nou
wat u nu leest
is absoluut objectief
wat u niet aan zag
voor wat poëzie vermag
te zijn, of niet
kleingeestig
deze woorden zijn dicht-
gekit met natte vingers
langs afgemeten latten
rond gestes van sensitiviteit
ingemetselde wederkerigheid
zonder vraag
in behoeftes voorzien
waarvan bovendien voordien
geen enkele notie bestond
geen lid een motie indiende
zeg maar tien tot tachtig procent
ongezien in vergetelheid verdwijnt
van de werkelijke waarheid
ongeschreven
daarom bestaat het leven van de dichter
uit wrevel om het verlies
de knevel van de beperking
de verwerking door de lezer
van de taal
als suboptimaal
middel tot het creëren van ruimte
voor dit
wat u nu leest
We noemen hem Kees VI
verwachtingsvolle gedachtes
die hij vaak heeft gehad
zelfbedachte antwoorden
waar hij het mee deed
avonden vol verlangens
bleekjes verdicht in rookwolken
met nevel gevulde glazen
zoals jazzblazers dat razend konden
van maat wisselen
rondgebreide dwaze bedenksels
stekelige heksenafrekeningen
beledigingen aan adressen
en nog vreemdere dingen
maar binnen de grenzen
van het acceptabele
terugkeren naar het thema
over ontkenningsverbreding
waar hij in was verdiept
inclusief zendingsdriften
welke hij niet meed
dagenlang losgezongen
steeds meer verlicht door breingolven
door schuld gedreven innemend
ineengezegen in dat schrale licht
slot-improvisatie
geuite grieven
uit niet verstuurde brieven
gelieve niet te delen
Chautauqua II; Phaedrus
‘de werkelijke universiteit is niets anders
dan het eeuwig voortbestaande complex
van de zuivere rede’ *
wij vertoeven in het paradijs
laat ons daar beginnen
niet te midden
van de mensen
noch in de stad
doch in de zuiverste natuur
alsnog in de schaduw der platanus gelegen
op dit heetste uur
van deze bijzondere dag
als de krekelzang de tijd
voortstuwen mag
langs de liefdeloze minnaar
als dienaar voor het leven
als vast gegeven
niets meeslepends
geen gevaar
maar liefde is begeerte
zweren op schoonheid
mooie lijven
zwijmelen bij Eros
verblind door lust
ziekelijk verlangen
ten koste van
de
tot object verengde beminde
echter
in de glimp van de idee
van dat ultieme schone
de herinnering aan die zee
in de ogen van de ware liefde
- aldus Phaedrus in ‘Zen; en de kunst van het motoronderhoud’, Robert M. Pirsig
het einde der verbetenheid
hij dwaalt liever
door de diepste dalen
dan steeds naar
nieuwe toppen te reiken
in falen is hij
zo onderhand dan
ook goed getraind
zijn benen bezwijken
bij de minste geringste
tegenwind, zijn
knieën zijn
van kindsbeen zwak
een wrak
is een te mooi woord
om hem te beschrijven
dan zou hij eerst nog
iets gaafs geweest zijn
zonder medelijden
of overdrijven, kan ik
wel met zekerheid stellen
dat het nooit een feest was
wie hij is in deze
zelfs in zijn dromen
vloog hij nooit over bergen
hij wist zich wel te verbergen
in een stoet monniken
herhaaldelijk
in bruine gewaden
van zware adem
op een kronkelend
rollende-keien-pad
naar boven
maar
hij behoort niet tot
de koninklijken of de goden
die ooit bij dat onzichtbare
zijn aangekomen
wel kan hij deuren openen
de kaders van Morpheus slopen
hopen op
het einde der verbetenheid
omnivore marinus
och, man
zet een pannetje stoofpotvis
of welk glibberige grut uit de zee dan ook
voor mijn haaienbek neer
en, ik zweer
ik zuig elke ruggengraat stuk
slobber de slijmerigste prut
hups-a-flut
in die donkere kelder van mij
ik vreet en slik alles
zeker als het een kwal is
zo eentje waar je dood aan gaat
als ‘ie niet eerst een maand in boterzweet geklaard is
met of zonder
kop danwel staart
met de aard van het beestje
feestelijk op een blaadje wier
zwierig gepresenteerd
het zou mij een eer zijn
om als eerste het zenuwstelsel te proberen
getrokken
uit het gruwelijkste grondmonsterbrein
van de peilloze troggen der oceaan
voor op het barbecuedek
gauw dat zeemeerminnetje fileren
voordat de heren vol mousserende mosselsekt
hun vieze vinnetjes niet binnenboord kunnen houden
homo individualis
wat het ook zijn mag
wat mij naar binnen trekt
naar mijn binnenste kijken laat
wat in beginsel verwezenlijken wil
om mijzelf bij elkaar te houden
van alles wat ik waarneem
één geheel te vormen
van dichtbij gezien
binnen mijn oogkaders
in een spiegelbeeld van ik
leven van geboorte tot dood
door eigen zicht bekeken
als stevig evenwicht
geboren protagonist
van de hedendaagse tijd
in de strijd voor fundamenten
de vrijheid van meningsuiting
de vrijheid om te denken
rechten van mensen
door introspectie
op ieder entiteitsniveau
van zelfbewustzijnsstructuren
een mogelijkheidsbegrip krijgen
langs ethische implicatielijnen
tot sociologisch gepolitiseerde
horizontidentificatie komen
- Introspectie, gestaltprincipes & Aristoteles
Als… Grote Geelstaart
Als een Atlas die de wereld niet meer torsen kan,
als een onkusbare prinses in deze modderpoel,
als een vergaloppeerde pony in de onbestaanbare stad,
als een inhoudsloze boodschapper van alle goden los,
als een To-To in het bos van boos geworden dromen,
als een uitgefaseerde donder- & bliksem-winterstorm,
als een vorm verzand in onwelluidend leiderschap,
als een ander lichaam mogelijk was…
als een steen der wijzen van de Helikon gerommeld,
als een Grote Geelstaart op jouw bord beland.
Als de sterkste schouders de aarde vallen laten,
als de ingedutte liefde het vuur niet langer blust,
als de steekvlieg de poort tot Olympus bewaakt,
als de zielenwegen der reizigers eindigen in niemandsland,
als de onbeminde schoonheid onbenoemd blijft,
als de overkoepelende beschermer zijn eigen eed verraadt,
als de geveinsde krankzinnigheid geen oorlog vermijdt,
als de mitochondriën als broncodes herschreven zijn,
als de muze de lotsbestemming der alchemist verandert,
als de muzikale ‘zeitgeist’ in Noviomagus landt.
het is maar een gedicht
mijn poëzie verdraagt de werkelijkheid niet meer
zinnen breken onder druk
van echt leven
alleen woorden kunnen de scheuren nog schragen
zo beklagenswaardig grauw
als alles is
was het maar de herfst
die de wereld verkleurde
maar het is een lentezon
die alle hoop verbrandt
lang voordat de winter
überhaupt
keurig een beurt krijgt
een stevige depressie zou ons goed doen
met fikse kou in de lucht
handen die al verschralen
ingedroogde lippen
ze barsten
bij enkel de aanblik
van eindeloos ijzige kilte
huiver niet
stop met bibberen
laat de doorgeslagen fantasie
dezer zelfbenoemde verdichter
uw heilige solopad niet hinderen
de verwaarloosbare toekomst
onzer kinderen
niet besmeuren
met betreurenswaardige taal
het is maar een gedicht
ook ik mag hopen
misschien is dit niet de plek
nooit het juiste moment om
tegen alle verhoudingen in
de grote bek die op en neer
door deze en gene verweten
en dikwijls gebezigd wordt
uit of in naam en/of namen
van de hogere waarden dan
die van de andere of anderen
waarmee de strofen gekruist
de verzen te gebald worden
over woorden van meer of
minder reikende strekking
uit de dekking naar voren
te treden in vele zinsneden
van illustere volksmennerij
en zagerij van anti-canto’s
autodidactische testidiotie
die in de schoot te werpen
van mededichters en brave
lezers om enige verlichting
aanstekelijk mee te geven
dat
wij allen slechts mensen zijn
onder een zon zonder welke
wij nooit tot leven kwamen
op de draaiende aarde waar
wij op gemaakt en geboren
worden onder verre sterren
ongeacht de bron waardoor
dit überhaupt ontstaan kon
zullen wij de wereld zelf
met onze eigen bloedende
handen uit het gewauwel
der goochelaarsmouwen
ter meningencircussen
zonder onderbouwingen
moedig willen heroveren
om te toveren in de hemel
waarop ook ik mag hopen
ze noemen hem Sjors; de gitaarman
hoe ze me noemen
kan me gestolen worden
het gaat om de akkoorden
de melodische lijnen
de bekoring van het oor
niet om die lamme duinmannen
noch om blij wuivende wijven
doch voor zuinige bierzuipers
gebruikte servettenschrijvers
benarde-situatie-verblijvers
bezorg ik mijn liederen
bekorend in diepere lagen
van overspoelende klanken
als golven van de hoorbare
zee der onverzoenlijkheden
ik vervang licht verteerbare noten
door hard krakende uitbraken
met droogkokende moten
als maten onderbroken
door de fijne netten
der refreinen
en polyfone coupletten
maar de meesterzet bewaar ik
tot het einde de waarheid ontsluiert
als de laatste klandizie naar buiten kuiert
mompel ik opzettelijk lui
‘ik ben de deinende zee’
in dat muzische idee
voel ik mij thuis
je mag
je mag honderden keren vragen
of een veelvoud daarvan klagen
je mag verwachten tot je zweeft
door lichtheid niets herinneren
je mag vergeten waarvan je wist
dat de vergissing niet gelogen is
je mag blij kijken op feestdagen
tussen kaarsen en gesprekslagen
je mag vrij schrijven dat je leeft
langs diepere kloverij bezinnen
je mag onthouden wat je vergat
waar je nooit helemaal naast zat