De kamer was stil,
behalve het zachte tikken van tijd die niet meer voor hem liep.
Zijn stem, ooit een rivier, werd een druppel en toen niets.
Ik draag zijn lach in mijn zak, als een steen die niet breekt,
maar zwaar blijft op dagen dat de lucht te licht lijkt.
Je ogen sloten, zacht en stil,
de wereld draaide door, tegen mijn wil.
De zon scheen fel, maar ik zag geen licht,
want jij verdween uit mijn gezicht.
Toch hoor ik soms jouw warme lach,
een echo die mij troost brengt, dag na dag.
Melden