Hoe uw armen zacht ten hemel staan,
uw smaragdgroene haren dansen in het licht,
gij longt omhoog, daar waar ik niet durf te gaan,
een teder gezicht, van stilte gewis.
Zo aandoenlijk, ja zelfs eerbaar van zin,
galant, maar o, zo markant in uw eigen neigen;
gij houdt uw waardigheid diep geworteld in
de aarde, die uw ware aard doet blijven verzwijgen.
Dan scheurt de hemel, dan sist de mist, dan keert de stilte weer,
uw wortelen trekken zich terug, wederom onontslaar;
thans schrijdt gij langs, en ik, ik schrijf je neer,
het onuitgesproken, nu eeuwig openbaar.
O schone last, o teer, paradijs’lijk ideaal,
ofschoon een droom, jij bent voor mij monumentaal.