“Ik ben het bewustzijn waarin de ervaring van ‘ik’ verschijnt.”
Er is een stilte die aan alle woorden voorafgaat, een helderheid waaruit alle gedachten ontstaan. Die stilte, die helderheid, is het bewustzijn. Het is niet iets wat wij bezitten, alsof het een eigenschap is van een brein dat toevallig complex genoeg is geworden om zichzelf te bespiegelen. Veeleer verschijnt alles wat wij hebben, alles wat wij zijn en alles wat wij ooit kunnen kennen, binnen dat bewustzijn. Iedere gedachte, iedere waarneming, iedere herinnering en iedere emotie verschijnt erin.
Toch heeft de westerse wetenschap het bewustzijn lange tijd behandeld als een bijverschijnsel van de materie: een toevallige glinstering die ontstaat wanneer hersenen een bepaalde complexiteit bereiken. Atomen en velden worden beschouwd als de fundamentele werkelijkheid, terwijl onze ervaring van kleur, pijn, schoonheid en verwondering wordt verklaard als gevolg van lichamelijke processen.
Maar daar ligt een merkwaardige spanning. Alles wat wij over materie weten, kennen wij immers via ervaring. Wij kunnen de hersenen onderzoeken, neuronen meten en elektrische signalen registreren, maar het verschijnsel dat al deze kennis voor ons betekenis geeft, blijft de ervaring zelf. Hoe kan iets wat slechts een bijproduct van ervaring zou zijn, het uitgangspunt worden van iedere kennis over de werkelijkheid?
Er is een oud verhaal over een vis die in de oceaan leeft en aan een wijze vraagt waar hij water kan vinden. Zo is het misschien ook met ons en het bewustzijn. Wij zoeken naar de grond van het zijn, kijken naar de verste sterren en de diepste structuren van de materie, maar vergeten dat de zoeker zelf deel uitmaakt van het raadsel. Wij zoeken het bewustzijn alsof het ergens buiten ons te vinden is, terwijl iedere zoektocht zich er al in voltrekt.
Het denken lijkt daarbij onze poortwachter. Het vergelijkt, berekent, onderscheidt en toetst. Het is een buitengewoon instrument, ontwikkeld om ons door een wereld van vorm, verandering en gevaar te leiden. Maar het denken kan de stilte waaruit het zelf voortkomt niet volledig omvatten. Het kan een intuïtie onderzoeken, haar aan de rede onderwerpen en haar controleren, maar in die controle stuit het steeds op dezelfde merkwaardige grens: het instrument dat de ervaring onderzoekt, maakt zelf deel uit van die ervaring.
Misschien moeten wij daarom onze voorstelling van de werkelijkheid herzien. Wat wij werkelijkheid noemen, is voor ons nooit een verzameling objecten op zichzelf, maar altijd een wereld die verschijnt. De bergen, de oceanen en de sterren verschijnen in bewustzijn, evenals liefde, eenzaamheid, pijn en verwondering. Dat betekent niet automatisch dat de buitenwereld slechts een illusie is. Wel betekent het dat bewustzijn geen verschijnsel is dat wij eenvoudig buiten beschouwing kunnen laten wanneer wij de werkelijkheid willen begrijpen.
Deze gedachte heeft een lange filosofische geschiedenis. Spinoza beschreef God of de natuur als één substantie waarin alle dingen bestaan. Hegel zag de Geest als iets dat zich in de geschiedenis ontvouwt en in het menselijk bewustzijn tot zelfkennis komt. Hedendaagse denkers zoals Bernardo Kastrup en Thomas Nagel hebben, ieder op hun eigen wijze, opnieuw de vraag gesteld of bewustzijn werkelijk uit materie kan worden afgeleid, of dat onze gebruikelijke voorstelling misschien moet worden omgekeerd: niet bewustzijn als product van materie, maar materie als verschijningsvorm binnen bewustzijn.
Als bewustzijn inderdaad fundamenteel is, heeft dat gevolgen die verder gaan dan een abstract filosofisch debat. Het verandert de manier waarop wij naar onszelf, naar anderen en naar de dood kijken. De dood zou dan niet noodzakelijk het einde van bewustzijn betekenen, maar het einde van een bepaalde vorm waarin ervaring zich manifesteert. Zoals een golf zijn afzonderlijke vorm verliest en toch niet ophoudt water te zijn, zo zou ook het individuele bewustzijn kunnen worden gezien als een tijdelijke uitdrukking van iets fundamentelers.
Daarmee verandert ook onze ervaring van afzondering. Eenzaamheid zou niet langer alleen een breuk met het geheel zijn, maar ook een toestand waarin wij vergeten dat wij nooit volledig afgescheiden zijn geweest. Mededogen, verwondering en diepe aandacht krijgen dan een andere betekenis. Zij worden momenten waarin de gebruikelijke grens tussen het zelf en de wereld tijdelijk minder hard wordt.
Toch is er weerstand tegen deze gedachte. Misschien juist omdat zij ons onze vertrouwde kleinheid ontneemt. Wanneer wij onszelf zien als afzonderlijke machines van vlees en bloed, kunnen wij ons verschuilen achter de wetten van de fysica en de toevalligheden van de evolutie. Wij hoeven dan niet te vragen waarom er überhaupt ervaring is. Wij hoeven alleen te verklaren hoe neuronen signalen verwerken.
Maar daarmee is de ervaring zelf nog niet verklaard.
Een elektrisch signaal kan worden gemeten, maar waar is in die meting de ervaring van rood? Een neuron kan worden waargenomen, maar waar bevindt zich in dat neuron de pijn die iemand voelt? Het reductionisme kan steeds nauwkeuriger beschrijven wat er in het brein gebeurt, maar de beschrijving van een proces niet niet noodzakelijk hetzelfde als de ervaring van dat proces. Dat is het moeilijke probleem dat telkens terugkeert: hoe kan een objectieve beschrijving van materie verklaren waarom er überhaupt een subjectieve binnenwereld bestaat?
Misschien is het daarom vruchtbaarder om bewustzijn niet als een laat product van de werkelijkheid te beschouwen, maar als een van haar grondvoorwaarden. Niet als een verafgelegen goddelijk wezen, maar als het meest nabije en intieme dat wij kennen: de stilte waarin alle geluiden verschijnen, de ruimte waarin alle vormen worden ervaren.
Het denken is dan een beweging binnen die ruimte, een poging van het bewustzijn om zichzelf te begrijpen. Intuïtie kan worden gezien als een ander soort weten: niet een vervanging van het denken, maar een onmiddellijke gewaarwording die eraan voorafgaat. Het denken toetst haar, corrigeert haar en beschermt ons tegen zelfbedrog. De intuïtie herinnert ons er tegelijk aan dat niet alles wat werkelijk is, eerst in woorden hoeft te worden gevangen.
En misschien is dat de meest opmerkelijke conclusie: dat wij het bewustzijn niet van buitenaf hoeven te bewijzen. Op ieder moment waarin wij aandachtig luisteren, kijken of ademen, is het al aanwezig. wanneer wij een bloem zien of het gezicht van een geliefde, hoeven wij geen theorie te formuleren om te weten dat er ervaring is. De ervaring is er vóór de theorie.
Daarom hoeft de vraag misschien niet langer te zijn: waar komt het bewustzijn vandaan? Misschien moeten wij eerst vragen waarom wij ooit hebben aangenomen dat het ergens vandaan moest komen.
Misschien is bewustzijn niet iets wat in het universum is verschenen.
Misschien is het datgene waarin het universum verschijnt.
En als dat zo is, zijn wij niet slechts reizigers die door een vreemde wereld trekken. Wij zijn het bewustzijn waarin de reis verschijnt: de reiziger, de weg en de horizon, gedragen door een stilte die nergens vandaan komt en nergens naartoe hoeft.
Misschien is dat uiteindelijk het geheim: dat wij nooit werkelijk op weg naar huis zijn geweest, omdat wij al die tijd thuis waren in datgene waarin de hele reis zich voltrok.
J.J.v.Verre.
.