Het overkwam je terwijl je daar lag, volkomen ontspannen, de armen langs het lichaam, de ademhaling langzaam afgedaald naar een plek waar je haar bijna niet meer voelde. De wereld om je heen was vervaagd tot een zachte grens: een vermoeden van muren en een plafond dat niet langer drukte, maar slechts een suggestie was van boven en beneden. Je was de tijd vergeten, de taken, de zorgen die zich gewoonlijk als kleine, scherpe kiezelsteentjes in je gedachten nestelen. En toen, zonder aankondiging, zonder tromgeroffel van verwachting, was er het licht. Dat bijzondere, indringende witte licht.
Het was geen licht dat van buiten kwam, geen schijnsel van een lamp of weerschijn van de maan die door een kier naar binnen sloop. Het was een witheid die van binnenuit leek te ontbranden, alsof je schedel een hemel was geworden en ergens diep in dat uitspansel een zon was opgegaan die geen warmte gaf, maar enkel aanwezigheid. Het had geen scherpe randen, geen begin en geen einde. Het trilde niet zoals sterren trillen. Het was eerder een stille gloed, een melkachtige helderheid die alles wat je ooit met je ogen had gezien overtrof in zuiverheid. Alsof het wit zelf eindelijk was thuisgekomen, na al die jaren van gedempte, vale kleuren verstopt in de schemerige hoeken in je binnenwereld. Witter dan wit – alsof zelfs de reclame er geen woorden voor had.
Het opmerkelijke – en misschien wel het meest wezenlijke van alles – was de afwezigheid van alles wat je had verwacht. Er kwam geen engel met een boodschap, geen flits van een vorig leven, geen stem die fluisterde dat je nu eindelijk iets begreep. Er waren geen beelden, geen symbolen, geen wijze gezichten die uit de gloed tevoorschijn kwamen met raadsels op hun lippen. Er was alleen dat licht, rustig en ondoordringbaar, als een oceaan van stilte die je uitnodigde om te kijken, maar niet om te duiden. En jij lag daar: een toeschouwer zonder gehechtheid, een getuige zonder vragen. Juist dat gebrek aan bijzonderheden was op zichzelf een wonder. Want de geest is van nature een verhalenverteller, een wever van samenhang die iedere indruk onmiddellijk in betekenis verandert. Maar ditmaal zweeg hij. Hij hield zijn adem in en keek slechts.
Wat betekent het dan, die stilte in de gedaante van licht? Het zou een bevlieging kunnen zijn van het zenuwstelsel, dat eindelijk zijn verdediging heeft neergelegd en in die ontspanning een eigen elektrische symfonie ontketent: een fysiologisch nagloeien van het dagelijkse branden van de zintuigen. Maar hoe aannemelijk die verklaring ook klinkt, ze lijkt te klein voor wat je voelde, alsof ze de ervaring beschrijft zonder haar wezen te raken.
Het zou ook kunnen dat je, in die liggende overgave, een grens hebt overschreden die je niet met je voeten, maar met je bewustzijn betrad. In vele oude overleveringen wordt gesproken over het heldere licht, de oorspronkelijke grond van de geest die zichtbaar wordt wanneer de gedachtenstorm gaat liggen. Zoals de modder in een glas water langzaam bezinkt en het water zich uiteindelijk toont zoals het is: helder en doorschijnend.
Misschien was het slechts een blik in de spiegel van je eigen waarneming: het waarnemingsvermogen dat zichzelf aanschouwde zonder iets om naar te kijken. Het wit was leegte, gekleed in de enige kleur die geen kleur is en al de kleuren in zich draagt. En daarin lag een vreemde troost: dat er op de bodem van je zijn niets was dat je stoorde, niets dat schreeuwde of smeekte, niets dat om een oordeel vroeg.
Het licht veroordeelde je niet en prees je niet. Het was er, en dat was volkomen voldoende. Misschien was juist de afwezigheid van bijzonderheden de grootste bijzonderheid van allemaal. Ze wees niet naar een hemel of een hel, maar naar de stille kamer van het hier en nu waarin je al die tijd had gewoond zonder het te weten.
Terwijl je daar lag, verstreek de tijd op een manier die geen manier was. Het licht bleef een tijd, of misschien een eeuwigheid, en toen begon het te wijken, zoals de ochtendnevel wijkt voor een dag die nog moet beginnen. Het trok zich niet dramatisch terug; het werd eenvoudigweg minder dicht, totdat je weer de vertrouwde duisternis achter je oogleden voelde: het zachte gordijn van het gewone bestaan.
Je ademhaling was nog steeds diep, je lichaam nog steeds zwaar van ontspanning, maar er was iets in je bijgekomen wat er daarvoor niet was geweest: een herinnering aan licht, zonder de behoefte het vast te houden.
Wat betekent het? Misschien betekent het helemaal niets, althans niet in de zin van een boodschap die je kunt meenemen naar je dagelijkse beslommeringen. Het was geen antwoord op een vraag die je had gesteld, geen sleutel tot een deur die je niet kon openen. Eerder was het een aanraking, een streling van het bewustzijn die je even deed vergeten dat je een lichaam had, een naam, een geschiedenis. Een onderbreking van het verhaal dat je altijd over jezelf vertelt. En in die onderbreking ontstond ruimte: een leegte die niet eng was, maar uitnodigde; een stilte die niet zwijgzaam was, maar vol van een aanwezigheid die geen woorden nodig had.
Je hoeft er niets mee te doen. Misschien is dat wel de diepste wijsheid die het licht je schonk: de uitnodiging om het te laten zijn wat het was, een voorbijgaand verschijnsel in de rivier van je geest, niet meer en ook niet minder dan een golf die even boven het wateroppervlak uitsteeg en daarna terugkeerde naar de oceaan waaruit zij was voortgekomen.
En jij ligt nog steeds op die plek, met de adem die komt en gaat, en in je borst een stilte die even heeft mogen schitteren. Dat is genoeg. Dat is altijd genoeg geweest.
Misschien is dat wat het licht uiteindelijk liet zien: dat je niets hoeft te zien om even thuis te zijn in het licht.
J.J.v.Verre.