De zon komt op boven de rij voor de Vuilpoort. Geertruyd telt: negenendertig. Daarna opnieuw, alsof mensen dan verdwijnen. Teer, visafval, de zure lucht van de azijnkruik waarin de schout munten dompelt tegen viezigheid. Op de poort hangt een pamflet, de hoeken gekruld. Pestbericht met daaronder de naam: Van Beverwijck. Een vader leest voor aan zijn zoontje, hakkelend: ‘Mijdt elk onnodig verkeer…’ Hij trekt het kind dichter tegen zich aan.
Geertruyd houdt haar linkerarm onder de cape, kromme vingers tegen haar zij. In de rechterhand heeft ze een mand. Door haar vader gevlochten, voor de koorts begon. Gevuld met kaas en bovenop het attest. Achter de poort ligt de Merwede. Twee schepen aan de kade. Eén voor dagloners, één voor wie de poort ’s avonds niet meer door mag.
De rij schuift verder, neemt haar niet mee. ‘Nog een paar, dan gaat-ie,’ mompelt een gerimpelde man voor haar. Haar duim strijkt over het zegel. De mompelaar struikelt. Een buideltje springt open, stuivers alle kanten op. Niemand beweegt.
Geertruyd knielt, grijpt met beide handen. Vier munten. De rest verdwijnt onder voeten. Ze houdt ze omhoog. ‘Mevrouw—’ De vrouw stapt achteruit en vouwt haar handen op haar rug. Geen blik op haar munten. Geertruyd legt ze op de kasseien en trekt de cape om haar arm. Haar vingers tellen zevenendertig wachtenden.
Bij de tafel op schragen zit de gezondheidsmeester in een zwarte tabbaard. Naast hem een klerk met een ganzenveer die namen krast op een vel.
‘Volgende.’
Geertruyd legt het gezegelde attest op tafel. De gezondheidsmeester drukt enkele vingers onder haar kaak en telt haar polsslag. Geen koorts of builen. Hij knikt naar de klerk.
‘Gezond. Door.’
Ze bukt om haar mand te pakken. Dan valt de cape van haar schouder. De knoop die ze vanochtend wou vastnaaien rolt in het gras. De klerk stopt en staart naar haar kromme arm. Bloot in het ochtendlicht. De vrouw van de stuivers wijst.
‘Die hoort niet bij de gezonden.’
De gezondheidsmeester laat zijn blik glijden naar haar arm. Zijn duim wrijft over het zegel tot de was in stukjes valt.
‘Meester Van Beverwijck schrijft niets over kromme ledematen.’ Geertruyd kijkt hem strak aan.
‘Wie weet wat die lelijkerd meedraagt,’ roept de vrouw. Ze strijkt een hand over haar kap.
Een paar stemmen mompelen het na. Geertruyd blaast een lok van haar voorhoofd. De gezondheidsmeester veegt wasresten van tafel. Zijn blik gaat van de rij achter haar naar de klerk, die zijn veer stilhoudt. ‘Zet haar apart!’
‘Ik ben gezond. Dat schrijft de stadsmedicus!’ Geertruyd grijpt naar het attest. Zijn hand is sneller.
’Dat weet ik,’ bromt hij. ‘Maar dat telt niet vandaag.’ Hij wenkt.
Wachters stappen vooruit. Een hand grijpt haar bovenarm voordat ze kan wegdraaien; de mand glijdt uit haar vingers. Kaas rolt tegen een schraag. ‘Deze kant.’ Ze worstelt, de greep verstrakt. Een wachter raapt de mand op, geeft die terug en duwt haar vooruit.
Geertruyd blijft alleen achter op het ongerepte gras tussen stadsmuur en water. Ze roept om de schout terwijl ze kijkt naar de rij die zonder haar verder schuift. Tegen de middag komt een oude vrouw, één oog wit als melk. Die prevelt onafgebroken. Het veldje vult zich. Geertruyd maakt plaats. De klerk komt langs. Dan schraapt hij zijn keel en noemt de huizen die met een kruis worden gemerkt. ‘Wijnstraat, voorbij de Nieuwbrug. Het huis van de mandenvlechter…’ Geertruyd kijkt niet op. Ze telt de bochten naar huis en knijpt haar vingers om het handvat. Haar duim vindt de inkerving op de rand met de naam van haar vader. Het vlechtwerk kraakt zacht.
Bij het invallen van de schemering brengt een wachter broden. Een dienstmeisje kijkt om wanneer hij passeert. Hij zet de mand neer, zijn linkervoet raakt nauwelijks de grond. Hun handen raken elkaar heel even. Als hij later terugkomt legt hij een deken op haar voeten. De man loopt snel weg. Pas wanneer de avondkou door haar rok trekt, slaat ze de deken over zich heen. De klok van de Grote Kerk slaat. Het schip met de zieken vaart uit. Geertruyd veegt haar neus af met een mouw. Niet ziek genoeg om mee te gaan.
Tegen zonsopgang ontwaakt ze door het schuiven van grendels op de Vuilpoort. De laarzen van twee poortwachters glinsteren nat van de dauw. De man die haar de deken had gebracht loopt tussen hen in. Zonder hellebaard. Zonder linkerlaars. Zijn voet sleept over het gras.
‘Platvoet,’ fluistert iemand. Niemand lacht.
Een nachtwacht wijst. De platvoetman gaat naast haar zitten. Hij scheurt hompen van het brood dat hij gisteravond had neergezet. De hellebaarddragers kijken weg. Geertruyd schuift dichterbij. Trekt de mand tussen hen in. Snijdt de kaas. Geeft hem de helft. Ze kauwen en kijken naar de schuit die aanmeert.