In de stilte van de nacht
wordt elke gedachte zachter
alsof de duisternis
haar handen om mij heen vouwt
en zegt dat ik niets hoef
vast te houden.
Het huis ademt langzaam,
ook de tuin houdt haar adem in
en ergens tussen die twee
glijdt een klein lichtje
door mij heen, dat
alleen ’s nachts durft
te verschijnen.
Daarna wordt alles eenvoudig,
de dag valt van mij af,
de tijd wordt weer rond,
en ik hoor mijn eigen hart,
alsof het een zachte voetstap is
op een pad van het maanlicht.
