Voor mij toch was jij de allerzachtste
liefste, gelijk fluwelig rozenblad.
Jouw roomblanke teint, die ik aanbad,
ik diefde menig kusje waar ‘k naar smachtte.
Zoveel zomers mochten wij delen,
aanminnig op een bankje bij elkaar.
Zuchtjes wind beroerden ons haar,
kostbare momenten, wat een weelde.
Donkere wolken schaduwden zwart,
over leven waar liefde triomfeerde,
en moest ik missen die ik ’t liefste had.
Jouw rustplaats bezoek ik vele keren.
Jij, mijn lieveling,
mijn allergrootste schat.
Rozen breng ik jou en
streel liefkozend hun blad.
