
De spitstrein is vol, maar ik vind nog een vrije zitplaats naast een vrouw. Ik ga zitten en de vrouw vraagt: ‘Was u ooit echt gelukkig?’
Haar gezicht heeft het craquelé van een nog niet gerestaureerde, oude meester. Haar handen vol levervlekken rusten op haar tas.
‘Wow, wat een vrijmoedige vraag,’ zeg ik.
Ze haalt haar schouders op. ‘Mensen praten tegenwoordig nergens meer over. Ja, ze vragen of je kinderen hebt, of een hond, maar nooit of je bang bent voor de dood. Of voor het leven. Dat durven ze niet. Of erger: het interesseert ze niet.’
Omdat de trein over een spoorbrug dendert – “kadoeng … kadoeng” – zwijgen we even. Het water glinstert als zilvergrijze grafietolie. De parallelle oevers lijken in de verte steeds meer bij elkaar te komen.
‘Ik wás het wel. Denk ik,’ zeg ik. ‘Ik herinner me een zomer. We waren aan zee. Mijn toenmalige vrouw en ik. We lagen in het zand, de zon gul op onze zoutige huid, het “kriiiee!” van meeuwen boven de branding. Haar vingers forenzend over mijn gezicht.’
Ze knikt. ‘En toen kwam het leven ertussen?’
Ik glimlach. ‘Zoiets.’
‘Het was mooi vroeger,’ zegt ze. ‘Niet makkelijker, maar mooier. We dachten
dat alles nog moest beginnen.’
‘Pas later besef je dat het allang bezig was,’ zeg ik.
‘Precies.’
Haar blik dwaalt af naar buiten. Ik denk aan vroeger. Smeltende sneeuwvlokken op mijn tong, de wollige geur van een pasgeboren hond, mijn eerste meisje dat lachte zonder te weten waarom.
De trein mindert vaart. Mijn station. Ik kom overeind, knik haar toe.
‘Nou …’, zeg ik.
‘Nou …’, zegt ze.
Buiten glijdt de lome middaglucht als een drukkende hand over me heen. Stilstaand bij haar woorden wandel ik de stad in: “We dachten dat alles nog moest beginnen.”